Rb. Noord-Nederland 30 juli 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2958
Eiser is een rijnvarende en is het eerste halfjaar van 2016 in dienst van een Liechtensteinse werkgever. De SVB heeft in 2018 een A1-verklaring afgegeven voor de periode 1 januari tot en met 30 juni 2016 waarbij het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is verklaard. Eiser heeft bij zijn aangifte IB/PVV voor 2016 verzocht om vrijstelling van de premies voor de Nederlandse volksverzekeringen voor het eerste halfjaar van 2016. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag de vrijstelling niet verleend. Volgens eiser heeft de inspecteur de verplichting om de juistheid van de A1-verklaring materieel te beoordelen, nu er nieuwe informatie (getuigenverklaring en boordboek) is die de SVB nog niet bekend was. De rechtbank oordeelt, verwijzend naar rechtspraak van de Hoge Raad, dat zowel de inspecteur als de belastingrechter gebonden zijn aan de A1-verklaring. Als er sprake is van nieuwe informatie dan moet die worden ingebracht in de sociale zekerheidskolom en niet in de fiscale kolom. Eiser vindt dat de Regeling tegemoetkoming rijnvarenden van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard op hem en ziet strijd met het gelijkheidsbeginsel als dat niet gebeurt. De rechtbank ziet onvoldoende reden voor de conclusie dat de keuze van de regelgever om de regeling te beperken tot Rijnoeverstaten en de periode tot en met 2015, evident van redelijke grond is ontbloot. De regelgever heeft de voorwaarden bewust aangebracht en de gevolgen daarvan bewust aanvaard. Eiser vindt verder dat hij gediscrimineerd wordt omdat zijn aangifte IB/PVV altijd wordt gecontroleerd, alleen omdat hij rijnvarende is. De rechtbank is van oordeel dat het werken als rijnvarende geen zuiver persoonskenmerk is. De rechtbank ziet voldoende rechtvaardiging om deze groep aan extra controles te onderwerpen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de inspecteur in bezwaar alsnog de wkr heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bij het beoordelen van de aangifte niet kon zien dat eiser de wkr niet had toegepast, omdat eisers werkgever niet renseigneert en eiser zelf ook niet de opgevraagde maand- en jaaropgaven heeft verstrekt.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567
- Rb. Den Haag 15 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3632
- HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1789
- HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1665
- HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610
- HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748
- HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211
- EHRM 29 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805
- EHRM 22 juni 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:0622DEC004675799