Rb. Noord-Nederland 25 juli 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2861

Eiser heeft voor het jaar 2016 geen aangifte voor de inkomstenbelasting ingediend. De inspecteur heeft niet binnen de reguliere aanslagtermijn van drie jaar na afloop van het belastingjaar, in dit geval uiterlijk op 31 december 2019, een definitieve aanslag opgelegd. De inspecteur heeft in deze zaak dus rechtstreeks een navorderingsaanslag opgelegd, en wel binnen de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar na afloop van het belastingjaar. De rechtbank oordeelt dat, ook als er geen aangifte is gedaan, de inspecteur binnen de aanslagtermijn een definitieve aanslag moet opleggen als hij bij het einde van die aanslagtermijn informatie heeft die – kort gezegd – erop wijst dat belasting is verschuldigd. De rechtbank oordeelt ook dat tot de informatie die de inspecteur op dat moment heeft het dossier van de belastingplichtige met daarin de aangiften en andere gegevens over de betreffende belastingsoort behoort. De inspecteur had tegen het einde van de aanslagtermijn er redelijkerwijs bekend mee kunnen zijn dat eiser ook in 2016 box 3-belasting verschuldigd was. De aangiften en aanslagen over in ieder geval de jaren 2013 tot en met 2015 en 2018 waren op 31 december 2019 allemaal ingediend respectievelijk opgelegd en zaten dus in het IB/PVV-dossier van eiser (althans behoorden daar in te zitten). Uit de aard van de objecten (onroerende zaken) volgt dat eiser met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook op de peildatum 1 januari 2016 eigenaar was van de panden die hij volgens de door de inspecteur gevolgde aangiften over eerdere en latere jaren bezat. De inspecteur beschikte eind 2019 dus over genoeg gegevens om een definitieve aanslag op te leggen met de waarde van die panden in de grondslag voor box 3. Door toch geen definitieve aanslag op te leggen binnen de aanslagtermijn, heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan. De inspecteur was daarom niet bevoegd om de navorderingsaanslag op te leggen. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslag om deze reden. Eiser heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelt dat er voor de bezwaarprocedure sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgeweken kan worden van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent voor de bezwaarprocedure de verzochte integrale kostenvergoeding toe. Voor de beroepsprocedure is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de forfaitaire bedragen afgeweken kan worden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken