Rb. Noord-Nederland 30 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1691
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek voorlopige voorziening en de twee beroepen van eiseressen over de omgevingsvergunning voor het bouwen en in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een schuur op het perceel nabij [adres]. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college eiseres 2 terecht niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij de omgevingsvergunning. Deze eiseres woont op ruim 80 meter van de locatie van de beoogde schuur. Tussen die locatie en het perceel van eiseres staan meerdere bomen en bouwwerken. Ter zitting heeft eiseres erkend dat zij geen zicht op die locatie heeft. Ook betrekt de voorzieningenrechter het gestelde hobbymatige gebruik van de schuur. Niet aannemelijk is dat eiseres 2 op haar eigen perceel milieugevolgen van dat gebruik gaat ervaren. Daarnaast maakt eiseres niet aannemelijk dat zij beheerder is van naastgelegen percelen. In dat licht bezien zijn de gevolgen van de omgevingsvergunning dermate gering dat een persoonlijk belang van eiseres 2 bij die vergunning ontbreekt. Het beroep met zaaknummer LEE 24/1834 is ongegrond. De voorzieningenrechter is voorts in zaaknummer LEE 24/1772 van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd in hoeverre in dit geval sprake is hobbymatig agrarisch gebruik van de beoogde schuur en hoe de daarmee gemoeide belangen moeten worden gewogen. In de aanvulling op de aanvraag staat onder meer dat de schuur wordt gebruikt voor communicatie en educatie. De bezwaarschriftencommissie heeft het college geadviseerd om de omgevingsvergunning in het besluit op bezwaar aan te vullen in die zin dat het gebruik van de schuur nader wordt gedefinieerd, en aan nadere voorwaarden wordt verbonden, zodanig dat is geborgd dat het gebruik van de schuur het hobbymatig gebruik niet zal overstijgen. Door het advies van commissie in het bestreden besluit op bezwaar over te nemen, heeft het college zich aan dat advies geconformeerd. In de motivering van de omgevingsvergunning van 2 april 2024 heeft het college slechts aangegeven dat er van het bestemmingsplan kan worden afgeweken omdat de schuur ten dienste staat van het hobbymatig agrarisch gebruik en naar gesteld past binnen de afwijking van de bouwregels zoals aangegeven in artikel 5.4 van de regels van het bestemmingsplan. Ook heeft het college voorschrift 1.14 aan de vergunning verbonden, waarin is opgenomen dat de schuur uitsluitend mag worden gebruikt ten dienste van het hobbymatig agrarisch gebruik zoals genoemd onder artikel 5.4 van het geldende bestemmingsplan. De voorzieningenrechter overweegt dat het college met deze handelswijze het gebruik van de schuur onvoldoende heeft onderzocht en onvoldoende ingeperkt. De vergunninghouder legt sinds de aanvraag wisselende verklaringen af over wat het gebruik van de schuur precies zal zijn en in hoeverre sprake zal zijn van gebruik voor communicatie- en educatiedoeleinden. Het lag op de weg van het college om dat gebruik daarom nader te onderzoeken, zoals de commissie ook suggereert. Ook lag het op de weg van het college om het gebruik van de schuur te specificeren en in te perken zodat alleen hobbymatig agrarisch gebruik is geborgd. Zo blijft op dit moment onduidelijk waarom het college niet motiveert en in de omgevingsvergunning vastlegt in hoeverre gebruik van de schuur voor communicatie- en educatiedoeleinden (niet) is toegestaan. De voorzieningenrechter overweegt dat het college ook het beoogde gebruik van de schuur niet voldoende kenbaar heeft afgezet tegen de in artikel 5.4 genoemde belangen. Het bestreden besluit op bezwaar en de omgevingsvergunning van 2 april 2024 bevatten over dat gebruik geen kenbare belangenafweging. Zo is niets afgewogen over dat gebruik in relatie tot de belangen die zijn gemoeid met bescherming van de es. Ook is onvoldoende duidelijk waarom met het gebruik van de schuur geen sprake zou zijn van een onevenredige afbreuk aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Voorts heeft het college in het bestreden besluit op bezwaar en de nieuwe omgevingsvergunning geen kenbare afweging opgenomen over de belangen van eiseres 1 enerzijds en de belangen van de vergunninghouder anderzijds. Het lag wel op de weg van het college om dat te doen. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat het college zich wel terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 5.4 van de planregels niet in strijd is met artikel 2.6, 2.26.1 en 2.52.1 van de Provinciale Omgevingsverordening Groningen 2016. Het beroep met zaaknummer LEE 24/1772 is gegrond. Het besluit op bezwaar van 2 april 2024 gericht aan eiseres 1 en de bijbehorende omgevingsvergunning van 2 april 2024 worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Daarbij let de voorzieningenrechter op de aard van de gebreken en de ruimte die het college heeft om de gebreken te herstellen. Niet uitgesloten is dat het college de gebreken herstelt binnen de ruimtelijke bevoegdheden die het college heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het college op te dragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In het licht van wat hiervoor is overwogen en de bouwfase waarin de schuur zich bevindt, ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om de omgevingsvergunning van 23 juni 2023 te herroepen of te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer LEE 24/1756 wordt daarom afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl