Rb. Noord-Nederland 10 oktober 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4125

Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 10 oktober 2023 een vonnis gewezen in de zaak tegen een man die wordt verdacht van het medeplegen van de (verlengde) uitvoer van cocaïne. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de koffer verdovende middelen bevatte, zodat hij ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de uitvoer daarvan. Het begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’, zoals primair ten laste gelegd, moet, zoals volgt uit artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, extensief worden geïnterpreteerd. De begripsomschrijving is ruimer dan wat in het spraakgebruik onder buiten het grondgebied brengen wordt verstaan. Ook het ter vervoer aannemen van verdovende middelen of de voorwerpen of goederen waarin die middelen verpakt zijn, is buiten het grondgebied van Nederland brengen in de zin van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de verdachte vallen onder deze ruime uitleg van het begrip. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat om in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, zonder dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest op aan verdachte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen