Rb. Noord-Nederland 7 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2330
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het opleggen van een bestuurlijke boete en de intrekking van de derogatievergunning op grond van de Meststoffenwet en daarop gebaseerde regelgeving. Bestuurlijke boete Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de mestvoorraden onjuist heeft gewaardeerd. Als de waarderingsmethode die door eiseres wordt bepleit zou worden aanvaard, dan zou eiseres extra gebruiksruimte kunnen creëren. Die gebruiksruimte zou zijn grondslag niet vinden in reële gebruiksruimte. Dat is niet in overeenstemming met het doel van het stelsel van gebruiksnormen, te weten het beperken en voorkomen van (verdere) verontreiniging van grond- en oppervlaktewater door meststoffen. Artikel 94, vierde lid van de Uitvoeringsregeling heeft betrekking op het gewicht van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen. Dat gaat niet over het stikstof- en fosfaatgehalte daarin. Anders zou een forfaitaire gehaltebepaling aan het einde van (bijvoorbeeld) 2017, gevolgd door monsterneming aan het begin van (bijvoorbeeld) 2018, alsnog tot gevolg hebben dat aan het begin van 2018 met forfaits zou moeten worden gerekend. Dit terwijl het “best beschikbare gegeven” in dat geval evident de monsterneming is die begin 2018 heeft plaatsgevonden. Die monsterneming is immers bedrijfsspecifiek. Intrekking derogatievergunning Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiseres in 2018 de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat heeft overschreden. Verweerder is terecht tot de conclusie gekomen dat eiseres niet voldoet aan de derogatievoorwaarden, zodat hij in redelijkheid de derogatievergunning 2018 heeft kunnen intrekken.
De uitspraak op rechtspraak.nl