Rb. Noord-Nederland 16 mei 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1960

Veroordeling wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994: De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verdachte opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden door zeer gevaarlijk rijgedrag als bedoeld in artikel 5a WVW. Daarmee kan op grond van het tweede lid van artikel 175 WVW worden vastgesteld dat sprake is van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. Het rijgedrag van beide verdachten: gasgeven en roken voor het stoplicht, met hoge snelheid, zeer kort achter elkaar door de bebouwde kom rijden, elkaar meermalen inhalen, en de non verbale communicatie tussen beide verdachten (duim opsteken en lachen) kan daarnaast gekwalificeerd worden als competitief rijgedrag, als het vergelijken van prestaties, en dus als een straatrace als bedoeld in artikel 10 van de Wegenverkeerswet. Ten aanzien van het medeplegen: Naar het oordeel van de rechtbank brengt een straatrace een onderlinge dynamiek met zich waarbij, gegeven het competitieve element van die straatrace, de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door de andere gevaarlijke verkeersgedraging. In die competitieve dynamiek ligt een bewuste en nauwe samenwerking besloten. Tevens valt in een dergelijke dynamiek redelijkerwijs te voorzien dat het onderling samenhangende, gevaarlijke verkeersgedrag tot een verkeersongeval kan leiden met ernstige gevolgen. Dat geldt ook voor onderhavige zaak: uit de bewijsmiddelen blijkt dat het contact tussen beide verdachten is ontstaan op de A28, dat beiden te hard hebben gereden, dat zij elkaar beurtelings met hoge snelheid hebben ingehaald en dat zij beiden te dicht op de ander hebben gereden. Dat verdachte en medeverdachte elkaar niet kenden en niet vooraf afspraken hebben gemaakt, doet hier niet aan af. Er was sprake van een wisselwerking tussen de onderlinge verkeersgedragingen. Het in die onderlinge competitie veroorzaken van de botsing van de Audi van verdachte met de Fiat van het slachtoffer, is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen toe te rekenen aan verdachte maar ook aan medeverdachte. Medeverdachte heeft derhalve evenzeer schuld aan het ongeval en het ten gevolge van het ongeval veroorzaakte letsel bij het slachtoffer als verdachte. Tevens kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden over het gezamenlijk en in vereniging plegen van de verschillende gevaarlijke verkeersgedragingen, zodat het handelen van beide verdachten kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval waarbij aan een ander letsel wordt toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank kan geen onderscheid gemaakt worden tussen het aandeel van verdachte en het aandeel van medeverdachte in het ontstaan van het ongeval en is sprake van medeplegen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen