Rb. Noord-Nederland 21 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1688

Eiser en zijn echtgenote dienen in het kader van een provinciaal programma een projectvoorstel in om hun melkveehouderij om te zetten in een natuurboerderij met landbouwkundig medegebruik. Het projectvoorstel wordt goedgekeurd en er wordt subsidie verstrekt door de provincie (€ 3.040.025 voor de waardevermindering van de grond, € 188.000 voor beheerskosten en € 492.000 voor inrichtingskosten). Voorafgaand aan de realisatie vindt eerst een grondruil plaats tussen de provincie en het rijksvastgoedbedrijf en eiser koopt daarna de boerderij en de bijbehorende cultuurgrond van de provincie voor € 2.532.900, waarvan € 2.145.900 is toe te rekenen aan de cultuurgrond. Eiser waardeert de grond vervolgens af met 85% naar de natuurwaarde van € 1.824.015. Dit bedrag brengt eiser in de jaarrekening in mindering op de ontvangen vergoeding voor waardevermindering van de grond. Het restant (€ 1.216.010) wordt in de berekening van de belastbare winst meegenomen als buitengewone bate. Het geschil richt zich op de vraag of eiser voor de verkregen vergoedingen voor waardevermindering van de cultuurgrond en de beheerskosten een beroep kan doen op de vrijstelling van artikel 3.13, lid 1, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001 (de natuurvrijstelling). Eiser wil vraagt zich af of de wetgever de natuurvrijstelling zodanig heeft mogen vormgeven dat de toepassing van de vrijstelling beperkt is de vergoedingen als genoemd in artikel 6 van de UR IB 2001. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de artikelen 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 14 EVRM in combinatie met artikel 1 Eerste Protocol EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de subsidie zoals door eiser ontvangen vergelijkbaar is met de SKNL-subsidie en voor de toepassing van de verdragsrechtelijke bepalingen als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt. De rechtbank vindt een rechtvaardigingsgrond voor het feit dat de subsidies toch verschillend worden behandeld in de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de wetsgeschiedenis. Door in artikel 6 UR IB 2001 alleen regelingen op te nemen die de Europese Commissie ook op het punt van de toepassing van de belastingvrijstelling heeft goedgekeurd, heeft de wetgever geprobeerd te waarborgen dat de fiscale facilitering geen verboden staatssteun vormt. De keuze om de natuurvrijstelling op die manier vorm te geven is niet evident van redelijke grond ontbloot.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen