Rb. Noord-Nederland 18 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1680
Inbreng onderneming in een bestaande B.V. Verweerder heeft afwijzend beslist op het verzoek van eisers om toepassing van de geruisloze inbrengfaciliteit als bedoeld in artikel 3.65 van de Wet IB 2001. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de tekst van het besluit geruisloze omzetting (het besluit) de inbreng van de subjectieve ondernemingen van eisers niet voldoet aan één van de goedkeuringen voor inbreng in een bestaande vennootschap. Verweerder heeft het verzoek van eisers om toepassing van de geruisloze inbrengfaciliteit afgewezen omdat niet is voldaan aan onder meer de zogenoemde ‘activiteitentoets’. Eisers stellen primair dat artikel 3.65 van de Wet IB 2001 en het besluit, naar doel en strekking uitgelegd, niet in de weg staan aan de geruisloze inbreng. Subsidiair doen eisers een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat met de goedkeuringen in onderdeel 3 van het besluit invulling wordt gegeven aan de in artikel 63 van de AWR neergelegde bevoegdheid van de minister tot toepassing van de hardheidsclausule. Het stringent geformuleerde besluit biedt verweerder niet de ruimte om af te wijken van de voorwaarden die in onderdeel 3 van het besluit aan de goedkeuringen worden gesteld. De rechtbank komt tot het oordeel dat, nu toepassing van de hardheidsclausule is voorbehouden aan de minister, de rechtbank niet bevoegd is om dit beleid te toetsen. Verder is de rechtbank van oordeel dat, nu het besluit verweerder geen ruimte biedt voor een belangenafweging als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb, het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. Ook van schending van het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De beroepen zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl