Rb. Noord-Nederland 24 november 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:5066
Verschuldigde toezichtskosten voor het jaar 2019 op grond van de Mijnbouwwet Eiseres is netbeheerder als bedoeld in de Gaswet en daarom op grond van de Mijnbouwwet (de Mbw) en het Mijnbouwbesluit (het Mbb) een vergoeding – die retributie wordt genoemd – verschuldigd voor de uitoefening van toezicht op het landelijke gastransportnet. In het primaire besluit heeft verweerder beslist dat eiseres een vergoeding van € 230.973,78 verschuldigd is voor het toezicht in het jaar 2019. Tussen partijen is de hoogte van die vergoeding in geschil. Zowel het Europese Recht als de Mbw maken het mogelijk om bij de terugvordering van kosten van toezicht onderscheid te maken naar verschillende exploitanten of eigenaars. Dat onderscheid is vastgelegd in het Mbb. Gelet op het verschil in activiteiten van de netbeheerders en de verschillende eigenschappen van het landelijke gastransportnet en de regionale transportnetten, stelt de rechtbank vast dat hier geen sprake is van gelijke dan wel vergelijkbare gevallen als bedoeld in het Mbb. De keuze in de Mijnbouwregeling (de Mbr) om de vergoeding voor de netbeheerder van het landelijk gastransportnet gelijk te stellen met het bedrag dat aan de regionale netbeheerder met de meeste aansluitingen, doet aan (de aard van) voornoemd onderscheid geen afbreuk. Er is daarom door verweerder niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel besloten. Vervolgens is van belang dat de Mbw uitgaat van een doorberekening van specifieke – niet generieke – voor het toezicht gemaakte kosten. In het Mbb wordt dit verder uitgewerkt in artikel 161a. Die bepaling ziet op ‘het doorberekenen van die kosten’. Het Mbb voorziet niet in een vaste vergoeding als daar geen activiteiten tegenover staan. De gelijkstelling van het retributiebedrag in Bijlage 15, onderdeel C, aanhef en onder b, van de Mbr aan het bedrag dat aan de regionale netbeheerder met de meeste aansluitingen in rekening wordt gebracht, gaat er aan voorbij dat het profijtbeginsel – dat inhoudt dat de kosten van overheidstoezicht zoveel mogelijk worden verhaald op degenen die hiervan profiteren – ook ten grondslag ligt aan de door eiseres te betalen retributie. De rechtbank acht deze gelijkstelling dan ook in strijd met het profijtbeginsel dat ten grondslag ligt aan de Mbw en het Mbb. De rechtbank concludeert dat dat artikelonderdeel in de Mbr daarmee evident in strijd is met een hogere regeling en daarom buiten toepassing moet worden gelaten. Uit het bestreden besluit is ook niet af te leiden dat de in rekening gebrachte retributie in overeenstemming is met het profijtbeginsel. Verweerder verwijst vooral naar de genoemde bijlage uit de Mbr. Er is geen specificatie gegeven van de in verband met de voor eiseres gemaakte toezichtskosten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit wegens strijd met het profijtbeginsel en het motiveringsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl