Rb. Noord-Nederland 6 juli 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2789
PW. Intrekking. De ondertekening van het bestreden besluit is in overeenstemming met de Mandaatregeling en dus bevoegd genomen. De rechtbank is het eiser eens dat de doorzoeking niet rechtmatig is geweest en dat de in beslag genomen stukken onrechtmatig bewijs zijn en buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van het verrichten van juridische werkzaamheden. Eiser heeft geen bewijs geleverd van zijn stelling dat hij doorlopend toestemming had van verweerder. Ook al zou eiser toestemming hebben gehad, dan is die toestemming nadien ingetrokken met het besluit van 13 december 2010. Dat eiser geen inkomsten voor zijn werkzaamheden heeft gehad, is niet van belang. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat van de zijde van verweerder een toezegging is gedaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de commissie vooringenomen is geweest. Ook is eiser niet gevolgd in zijn standpunt dat de datum van intrekking willekeurig is gekozen. Verweerder heeft voldoende beargumenteerd waarom voor de datum van intrekking is gekozen. De rechtbank oordeelt dat de vernietiging van stukken niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Ook de stelling van eiser dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat verweerder met opzet ontlastende stukken zou hebben vernietigd, volgt de rechtbank niet. Terugvordering. Ondertekening besluit. De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. verweerder heeft alsnog en reëel besluit genomen. Wel procesbelang ten aanzien van de ingebrekestelling, voor zover in het reële besluit geen dwangsom is toegekend. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat het verdagingsbesluit in strijd met de Mandaatregeling is genomen. verweerder heeft een dwangsom verbeurd. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de gemaakte kosten over de benadelingsperiode van eiser heeft teruggevorderd. Voor het maken van een belangenafweging bestaat geen ruimte. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, is niet gebleken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder het terug te vorderen bedrag per maand had moeten bruteren.
De uitspraak op rechtspraak.nl