Rb. Noord-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2705
Eiseres heeft in 2018 een oudere werknemer in dienst waarvoor zij in aanmerking kan komen voor een zogenaamd loonkostenvoordeel uit de Wet tegemoetkoming loondomein. De salarisadministrateur van eiseres zet onbedoeld het vinkje waarmee eiseres aanvankelijk een aanvraag heeft gedaan voor het loonkostenvoordeel uit. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee haar verzoek ingetrokken. Verweerder deelt daarom in juli 2019 aan eiseres mee dat ze geen recht heeft op het loonkostenvoordeel. Eiseres komt tegen die mededeling in bezwaar, welk bezwaar verweerder als verzoek opvat. Dat verzoek wordt vervolgens afgewezen door verweerder. Tegen die afwijzing gaat eiseres vervolgens ook in bezwaar. Dat bezwaar wordt door verweerder doorgestuurd aan de rechtbank. De rechtbank stelt voorop dat eiseres tweemaal bezwaar heeft gemaakt, en dat verweerder op beide bezwaren nog niet beslist heeft. Uit proceseconomische overwegingen wordt ter zitting afgesproken dat de rechtbank beide bezwaren als rechtstreekse beroepen zal behandelen. Ter zitting is reeds besproken dat de rechter eerst zal moeten oordelen over zijn bevoegdheid om inhoudelijk kennis te nemen van de rechtstreekse beroepen, en als hij bevoegd is, over de ontvankelijkheid van de rechtstreekse beroepen. Ten aanzien van beide rechtstreekse beroepen beoordeelt de rechtbank eerst hoe verweerders brieven waartegen die beroepen zijn gericht geduid moeten worden. Vervolgens verklaart de belastingrechter zich onbevoegd (zie overwegingen 6.1. t/m 7.2.). De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijk oordeel. In dit geval is enkel de burgerlijke rechter bevoegd om te oordelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl