Rb. Noord-Nederland 18 juni 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2447

Eiseres drijft een onderneming in de vorm van een stichting. Sinds 2006 doet zij jaarlijks aangifte voor de Vpb. Op basis van artikel 6 lid 1 Vpb is een stichting van Vpb vrijgesteld indien de winst onder een bepaald maximum blijft. Er kan bij de inspecteur een verzoek worden gedaan om de vrijstelling niet toe te passen. Eiseres heeft nooit een dergelijk verzoek gedaan. Zowel eiseres als de Belastingdienst handelen al jaren alsof eiseres niet is vrijgesteld van Vpb. Eiseres heeft voor de jaren 2014 en 2015 aangifte Vpb gedaan naar een belastbare winst van respectievelijk € 101.948 negatief en € 59.047 negatief. In 2018 stelt de Belastingdienst zich voor de jaren 2014 en 2015 op het standpunt dat eiseres is vrijgesteld voor de Vpb. De Belastingdienst legt voor beide jaren een nihilaanslag op en stelt de verliezen bij beschikking eveneens vast op nihil. Eiseres verzuimt bezwaar te maken tegen de nihilaanslagen en de verliesbeschikkingen. Voor 2016 stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat eiseres weer belastingplichtig is voor de Vpb. Eiseres wil de verliezen uit voorgaande jaren verrekenen, maar de Belastingdienst laat de verrekening niet toe. Eiseres gaat hiertegen in beroep. De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 21a lid 3 Vpb rechtsmiddelen tegen een beschikking verliesverrekening uitsluitend betrekking kunnen hebben op de toepassing van de artikelen 20 en 20a Vpb. Dit betekent dat rechtsmiddelen tegen de (impliciete) beschikking verliesverrekening 2016 geen betrekking kunnen hebben op de omvang van de eerder door verweerder voor de jaren 2014 en 2015 vastgestelde verliezen. Eiseres had bezwaar moeten maken tegen de voor die jaren opgelegde aanslagen en verliesbeschikkingen. Deze staan nu onherroepelijk vast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen