Rb. Noord-Nederland 9 november 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3840

Omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonnepark van bijna 32 hectare, voor een periode van 25 jaar. Bouwen en handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing is de toepasselijke regelgeving ook onder ogen gezien, waarbij is geconcludeerd dat ook aan de relevante kaders is voldaan. Het bestreden besluit is niet in strijd met de Omgevingsvisie Drenthe 2018. Eiseressen hebben niet concreet gemaakt wat de cumulatieve gevolgen van de zonneparken zouden zijn en waarom die gevolgen strijdig zouden zijn met de provinciale regelgeving. Aldus is onvoldoende gebleken van cumulatieve gevolgen van beide, naast elkaar gelegen zonneparken. Eiseressen hebben onvoldoende concreet gemotiveerd dat en op welk punt het bestreden besluit niet zou voldoen aan de eisen die artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018 stelt. De rechtbank is om die reden van oordeel dat met de ruimtelijke onderbouwing en het rapport landschappelijke inpassing in voldoende mate is komen vast te staan dat de realisatie van het zonnepark gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap en dat wordt voldaan aan artikel 2.24, onder a, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Het bestreden besluit voldoet ook aan artikel 2.24, onder b, van de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de raad beoogde productie van zonne-energie niet uitsluitend kan worden gerealiseerd met behulp van gebouwgebonden installaties en zonneparken in bestaand stedelijk gebied en dat treden 1 en 2 van de zonneladder zijn doorlopen. De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan de inspanningsverplichting om een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak te verwerven en dat daarmee ook trede 3 van de zonneladder is doorlopen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, hebben eiseressen hun stelling dat effectuering van de onderhavige vergunning leidt tot verdringing en blokkering van de door de gemeente gewenste voorkeuropties, onvoldoende onderbouwd. Onvoldoende is gebleken dat het besluit niet uitvoerbaar is (in die zin dat het zonnepark binnen drie jaren in werking zou kunnen treden). Beide zonneparken zijn niet als één productie-installatie aan te merken. Aldus heeft verweerder zich terecht bevoegd geacht om op de aanvraag van vergunninghoudster te beslissen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende concreet beschreven hoe en op welke manier het zonnepark landschappelijk wordt beheerd. Het onderhoudsplan kan ook dienen als grondslag om handhavend op te treden. Daarmee is de landschappelijke inpassing voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het Activiteitenbesluit en de zonneladder aan een milieubeoordeling moeten zijn onderworpen. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken