Rb. Noord-Nederland 21 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3553
In vervolg op de antwoorden van de HR op de prejudiciële vragen van de rechtbank omtrent de schade door de gaswinning in Groningen, heeft de rechtbank einduitspraak gedaan. De vorderingen tegen de maatschap zijn niet-ontvankelijk verklaard. De vorderingen tegen de Staat stranden voor een groot deel op het gezag van gewijsde. NAM en EBN worden als exploitant aansprakelijk gesteld voor een deel van de fysieke schade, immateriële schade en gederfd woongenot. Voor wat betreft de fysieke schade heeft de rechtbank geoordeeld dat het bewijsvermoeden van toepassing is, maar dat NAM en EBN dit bewijsvermoeden hebben weerlegd. Wel wordt een vergoeding toegekend voor de schade waarvan de NAM eerder heeft erkend dat deze een gevolg is van de aardbevingen. De overige vorderingen die betrekking hebben op het treffen van versterkende maatregelen, waardedaling, het schade- en klachtafhandelingstraject door NAM, CBS en de Staat, schending van privacy, laagfrequent geluid en inkomensderving worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:98 BW6
- Artikel 6:100 BW6
- Artikel 6:101 BW6
- Artikel 6:106 BW6
- Artikel 6:109 BW6
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 6:177 BW6
- Artikel 6:177a BW6
- Artikel 6:184 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 33 Mijnbouwwet
- Artikel 3 EVRM
- Artikel 8 EVRM