Rb. Noord-Nederland 23 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3292
Oplegging hoge boete door de Europese Commissie aan verschillende (concern)vennootschappen wegens het maken van kartelafspraken en jarenlange overtreding van mededingingsregels. In deze procedure gaat het onder andere om de vraag of een bestuurder in voornoemd verband onrechtmatig heeft gehandeld en/of aan hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Bestuurder wordt door de curatoren van enkele van deze (concern)vennootschappen aangesproken op grond van artikel 2:9 BW en op grond van artikel 6:162 BW. Maatstaf aan de hand van HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0759 (Ontvanger/Roelofsen) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services B.V./verweerder). De in het Ontvanger/Roelofsen-arrest gegeven voorwaarde van geobjectiveerde wetenschap van de bestuurder dat de rechtspersoon geen verhaal zou bieden voor de schade speelt naar het oordeel van de rechtbank geen rol bij de beoordeling van aansprakelijkheid van een bestuurder als gevolg van de betrokkenheid bij het schenden van een wettelijk (mededingingsrechtelijk) verbod door de rechtspersoon. De vordering op grond van 6:162 BW wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende causaal verband. De vordering op grond van artikel 2:9 BW wordt gedeeltelijk toegewezen omdat onvoldoende vast is komen te staan dat de volledige schade aan de bestuurder kan worden toegerekend. De curatoren hebben zich in het kader van een met andere functionarissen getroffen schikking verplicht om over te gaan tot vermindering ex artikel 6:14 BW. Afwijzing uitvoerbaarheid bij voorraad.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627
- HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784
- HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887
- HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 13 juli 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY6820
- HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7797
- HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9416
- HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011
- HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3796
- Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 20 september 2001, ECLI:NL:XX:2001:AE0853
- HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2936
- HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2913
- HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243
- HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521