Rb. Noord-Nederland 3 juni 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:2036
In hun vaststellingsovereenkomst hebben partijen pachtovereenkomsten gesloten voor de duur van drie jaar. Pas op de laatste dag en na afloop van die drie jaar wordt goedkeuring gevraagd bij de Grondkamer en gekregen. In geschil is of de pachtovereenkomsten zijn geëindigd of dat ze nog lopen tot drie jaar vanaf de datum van goedkeuring. In kort geding oordeelt de voorzieningenrechter dat aan de zware eisen voor een beperkende werking van redelijkheid en billijkheid is voldaan en de pachter geen beroep toekomt op artikel 7:322 BW. Daarbij weegt mee dat de overeenkomsten al waren uitgewerkt en dat de overeenkomsten niet op zichzelf staan maar in het kader van een vaststellingsovereenkomst waren gesloten. Verder dat de pachter de overeenkomsten ook niet heeft ingezonden en dat het onbillijk zou zijn als de pachter door stilzitten zou worden beloond. Tot slot weegt mee dat deze pachter, die in de vaststellingsovereenkomst zijn belangen met juridische bijstand heeft kunnen inbrengen, de bescherming van het dwingend recht niet nodig heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl