Rb. Noord-Nederland 13 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:913
Verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering: Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die is ontstaan ten gevolge van het opschorten en intrekken van het transmuraal verlof. De vraag die voorligt is of het karakter van het intrekken van transmuraal verlof rechtvaardigt dat artikel 89 Sv analoog wordt toegepast. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de bepalingen van artikel 89 tot en met 93 Sv een beperkte regeling voor ogen heeft gehad, waarin louter schade ten gevolge van specifieke vrijheidsbenemende dwangmiddelen voor compensatie in aanmerking komt. Onderkend wordt dat de regeling van artikel 89 Sv e.v. in sommige zaken ruimhartig wordt toegepast, al dan niet omdat redelijke wetsuitleg daartoe noopt, maar de gemene deler van die gevallen is dat de daarin aan de orde zijnde vormen van vrijheidsbeperking en -beneming zijn toegepast in het kader van voorlopige hechtenis in de strafzaak waarin de betrokken verzoeker als verdachte is aangemerkt. Het zou naar het oordeel van de rechtbank te zeer tegen de bedoeling van de wetgever indruisen om op de voet van artikel 89 Sv compensatie te bieden voor de intrekking van transmuraal verlof in het kader van de tenuitvoerlegging van een in een andere strafzaak opgelegde TBS-maatregel. Vorenstaande leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot schending van artikel 5, eerste of vijfde lid van het EVRM. Het voorgaande brengt mee dat de verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl