Rb. Noord-Nederland 21 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:603

Inkomstenbelasting. Aanmerkelijk belang. Structuur om heffing over inkomen uit aanmerkelijk belang als gevolg van fictieve vervreemding bij overlijden uit te stellen. Fraus legis. [X] overlijdt in 2016. Tot zijn nalatenschap behoren aandelenbelangen in twee vennootschappen [A] BV en [B] NV waarvan de bezittingen geheel uit beleggingen bestonden. Deze aandelenbelangen zijn krachtens vererving geheel overgegaan naar eiseres, de echtgenote van [X]. (De erven) [X] moet(en) vervreemdingsvoordelen uit hoofde van de fictieve vervreemdingen van de aandelenbelangen in [A] en [B] tot het inkomen uit aanmerkelijk belang rekenen. Eind december 2016 hebben zowel [A] BV als [B] NV nieuwe aandelen uitgegeven aan eiseres. Deze nieuw uitgegeven aandelen zijn van een andere soort dan de al bestaande aandelen van respectievelijk [A] BV en [B] NV . Na uitgifte van deze nieuwe aandelen heeft eiseres haar bestaande aandelen in [A] BV en [B] NV verkocht aan een nieuw opgerichte stichting (de Stichting). Eiseres claimt in haar aangifte IB/PVV 2016 een verlies uit aanmerkelijk belang in verband met de verkoop van de oude aandelen in [A] BV en [B] NV aan de Stichting. Dit verlies zet eiseres af tegen het inkomen uit aanmerkelijk belang van (de erven) [X] dat op grond van de partnerregeling van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 aan eiseres is toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet over de vermogensbestanddelen van de Stichting kan beschikken als ware het haar eigen vermogen en het vermogen van de Stichting geen afgezonderd particulier vermogen vormt in de zin van artikel 2.14a van de Wet IB 2001. Er is derhalve ook voor de toepassing van de Wet IB 2001 sprake van een vervreemding van de aandelen aan de Stichting. Tevens is de rechtbank van oordeel dat op grond van de relevante wettelijke bepalingen van de Wet IB 2001 eiseres een verlies uit aanmerkelijk belang in aanmerking kan nemen met betrekking tot de vervreemding van de aandelen aan de Stichting. De rechtbank is echter van oordeel dat er sprake is van fraus legis; het samenstel van rechtshandelingen dat eind 2016 heeft plaatsgevonden, is louter gericht op het voorkomen en uitstellen van de (directe) heffing over het inkomen uit aanmerkelijk belang. De rechtbank acht het niet toelaatbaar dat dit samenstel van rechtshandelingen wordt aanvaard, nu dit ertoe leidt dat een aanmerkelijk belanghouder naar willekeur een in economische zin niet geleden verlies uit aanmerkelijk belang kan creëren en zodoende de (directe) heffing van inkomstenbelasting geheel of gedeeltelijk zou kunnen verijdelen dan wel (onbeperkt) zou kunnen uitstellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken