Rb. Noord-Nederland 22 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:279

PW. Verweerder heeft de aan eiser toegekende bijstand voor de kosten van bewindvoering per toekomstige datum beëindigd omdat de gemeente Groningen, afdeling GKB, de bewindvoering kosteloos kan uitvoeren. Verweerder acht bewindvoering door de GKB een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. De besluitvorming is gebaseerd op de met ingang van 1 maart 2018 in werking getreden Beleidsregels bijzondere bijstand beschermingsbewind. De rechtbank is van oordeel dat 'kosteloze' bewindvoering door de GBK een gelijkwaardig alternatief kan zijn voor bewindvoering door de huidige bewindvoerder. Dat de kantonrechter eiser onder bewind heeft gesteld, maakt niet dat bewindvoering door de GKB niet als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening kan worden aangemerkt voor eiser. De rechtbank acht het standpunt van verweerder navolgbaar dat de omstandigheid dat door de kantonrechter in het verleden de bewindvoerdersgroep als bewindvoerder is benoemd niet maakt dat op een later moment de GKB niet als bewindvoerder kan worden benoemd en ook dat op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW aan eiser geen bijzondere bijstand toegekend hoeft te worden voor de kosten van bewindvoering door de bewindvoerdersgroep, indien de voorliggende voorziening, in dit geval kosteloze bewindvoering door de GBK, gezien haar aard en doel, toereikend en passend is. Alvorens over te gaan tot beëindiging van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, in het kader van de vraag of een aan de PW voorliggende voorziening als toereikend en passend moet worden beschouwd, dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke en individuele omstandigheden van eiser en dient een belangenafweging plaats te vinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen deugdelijk feitenonderzoek heeft gedaan naar de vraag of in het geval van eiser beschermingsbewind door de GKB wel toereikend en passend is als bewindvoering door de bewindvoerdersgroep. Verweerder heeft zonder deugdelijk onderzoek geconcludeerd dat bewindvoering door de GBK ook in het geval van eiser een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening is. Zo heeft verweerder bij de besluitvorming de individuele en persoonlijke omstandigheden van eiser niet betrokken. Daarnaast geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat een evenredige belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb heeft plaatsgevonden. Nu verweerder een onzorgvuldig onderzoek aan zijn bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, acht de rechtbank dit besluit onzorgvuldig voorbereid en berust het niet op een deugdelijke motivering. Hieruit volgt dat verweerder in dit geval niet van eiser mocht verlangen, zoals in artikel 8 van de Beleidsregels is neergelegd, om de kantonrechter te verzoeken de GKB als opvolgend bewindvoerder te benoemen en de bewindvoerdersgroep te ontslaan als bewindvoerder, en daarbij als voorwaarde te stellen dat indien eiser dat verzoek niet zou doen, het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering zou stoppen per 31 december 2018. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat eiser recht behoudt op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering door de bewindvoerdersgroep na de dagtekening van deze uitspraak tot zes weken na de datum van het nieuwe besluit op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken