Rb. Noord-Nederland 26 juni 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:2751
Gedaagden hebben aan eisers diverse keren geldsommen ter beschikking gesteld ter financiering van de onderneming van gedaagden. Voorts hebben gedaagden financiering van een bancaire instelling overgenomen, met daarbij horende zekerheden. Uiteindelijk zijn gedaagden overgegaan tot uitwinning van die zekerheden. Eisers vorderen in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat gedaagden niets meer van hen te vorderen hebben alsmede veroordeling tot betaling van (schade)vergoeding. Bewijslast dat gedaagden niets meer te vorderen hebben, rust op eisers. Bij de beoordeling spelen onder meer de vraag of hypotheekrechten als gevolg van de vernietiging van de koopovereenkomst zijn gaan herleven en of artikel 6:109 BW toepasselijk is op contractuele rente.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 544 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:2 BW6
- Artikel 6:109 BW6
- Artikel 6:142 BW6
- Artikel 6:159 BW6
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 6:212 BW6
- Artikel 6:217 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 6:258 BW6
- Artikel 3:13 BW3
- Artikel 3:35 BW3
- Artikel 3:53 BW3
- Artikel 3:81 BW3
- Artikel 3:94 BW3
- Artikel 3:227 BW3
- Artikel 3:268 BW3