Rb. Noord-Nederland 26 september 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:5056
Met betrekking tot het begrip opzet overweegt de rechtbank dat gedaagde, de verzekerde ingevolge artikel 6.5. van de polisvoorwaarden verplicht is alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor eiser, de verzekeraar, van belang zijn om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen en dat artikel 7 van de polisvoorwaarden bepaalt dat bij opzet in ieder geval het recht op uitkering vervalt. Bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid moet een verzekeraar erop kunnen vertrouwen dat de verzekerde juiste en zo volledig mogelijke informatie verstrekt. Uit de door gedaagde aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad volgt dat onder opzet tot misleiding in artikel 7:930, lid 5 BW wordt verstaan opzet als oogmerk en dat voorwaardelijke opzet daarin niet is inbegrepen. Hiermee is niet gezegd dat het begrip opzet tot misleiding in artikel 7:941, lid 5 BW (het artikel dat in het onderhavige geschil aan de orde is als equivalent van artikel 7 van de polisvoorwaarden) op dezelfde manier dient te worden uitgelegd als het begrip in artikel 7:930, lid 5 BW. De rechtbank is van oordeel dat in casu aansluiting moet worden gezocht bij artikel 7:952 BW en dient onder opzet ook voorwaardelijke opzet te worden begrepen. Aansluiten bij artikel 7:952 BW ligt meer voor de hand dan bij artikel 7:930, lid 5 BW, immers het gaat bij zowel artikel 7:952 BW als 7:941, lid 5 BW om de situatie dat het risico waarvoor de verzekering is afgesloten is verwezenlijkt en niet, zoals bij artikel 7:930 BW, om de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst. Bij artikel 7:952 BW is sprake van verschillende gradaties van schuld/opzet. Het gaat hier niet alleen om opzet als oogmerk, maar ook om opzet als zekerheidsbewustzijn en om voorwaardelijke opzet, zie Asser/Wansink, Van Tiggelen & Salomons,7-IX* 2012/456.
De uitspraak op rechtspraak.nl