Rb. Noord-Nederland 20 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2284

De rechtbank is van oordeel dat de intentieovereenkomst na het kort geding aldus moet worden uitgelegd en aangevuld dat het door de gemeente als tweede spoor benoemde minnelijke traject een onderdeel van de overeenkomst vormt en dat ook in dat spoor tot volledige schadeloosstelling zou worden overgegaan. Uit de gang van zaken blijkt voldoende dat partijen hun gesprekken voerden in het kader van het verder vorm geven van de uitvoering van de intentieovereenkomst op een manier die rekening houdt met de wederzijdse gerechtvaardigde belagen. Niet valt in te zien hoe het tweede spoor van het zoeken naar een alternatieve locatie los kan staan van de intentieovereenkomst. Partijen zijn zich vanaf een zeker moment anders naast elkaar toe gaan opstellen dan de letter van de intentieovereenkomst voorschrijft. Voor de schadeloosstelling betekent dit dat in beginsel de uitkomst van het taxatierapport, met toepassing van het bepaalde in artikel 6.3 van overeenkomst, aangehouden moet worden. Voor onrechtmatig handelen door de gemeente, hebben Rudolphus c.s. onvoldoende gesteld. De gemeente heeft gesteld dat zij objectief gerechtvaardigde twijfels heeft over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de taxateur vanwege de advocaat-cliëntrelatie tussen de toenmalige advocaat van Rudolphus c.s. en de taxateur. De gemeente moet het bewijs leveren van haar stellingen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken