Rb. Noord-Nederland 24 februari 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:688
Het primaire besluit is aan de medebewoonster van eiser gericht. Hierin is haar huurtoeslag voor het toeslagjaar 2013 definitief vastgesteld op € 0,--. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank wordt eiser door het primaire besluit dat is gericht aan zijn medebewoonster niet rechtstreeks in zijn belangen getroffen en is hij derhalve geen belanghebbende bij dit besluit. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het primaire besluit aan de medebewoonster van eiser is gericht en dat dit besluit uitsluitend het belang van de medebewoonster rechtstreeks raakt. Dat eiser door verweerder als medebewoner is aangemerkt en dat gelet hierop zijn vermogen is meegenomen bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huurtoeslag van zijn medebewoonster, maakt niet dat eiser een rechtstreeks belang heeft bij het primaire besluit. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat verweerder eiser, gelet op artikel 33, tweede lid, van de Awir, hoofdelijk aansprakelijk kan stellen voor het door de medebewoonster van eiser verschuldigde bedrag aan terugvordering van de teveel ontvangen huurtoeslag - hetgeen verweerder overigens (nog) niet heeft gedaan - op zich nog niet betekent dat hij een eigen, rechtstreeks belang heeft bij het aan zijn medebewoonster gerichte primaire besluit. Dat besluit behelst immers louter de vaststelling van het bedrag aan huurtoeslag. Een dergelijk besluit treft naar zijn aard alleen de aanvrager rechtstreeks in zijn of haar belangen.
De uitspraak op rechtspraak.nl