Rb. Noord-Nederland 25 september 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:3728

Eiseressen hebben verweerder verzocht een besluit te nemen op grond van artikel 17, zesde lid, van de Wpo. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzochte besluit een publiekrechtelijke rechtshandeling op rechtsgevolg gericht. De bestuursrechter is echter op grond van artikel 8:3, tweede lid, van de Awb niet bevoegd als de instemming als bedoeld in artikel 17, zesde lid, van de Wpo kan worden aangemerkt als een beslissing ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van het door eiseressen ingestelde beroep. Nu kan worden geconstateerd dat verweerder zich ten tijde van het besluit van 6 april 2017 niet bewust was welke bevoegdheid hij kon dan wel wilde uitoefenen (artikel 17, eerste of zesde lid, van de Wpo) en uit de verdere correspondentie ook blijkt dat verweerder niet de intentie heeft gehad om één van beide bevoegdheden uit te oefenen, oordeelt de rechtbank dat het besluit van 6 april 2017 waarin de fusie wordt ‘afgewezen’ niet gericht is geweest op enig rechtsgevolg. De rechtbank concludeert dat verweerder niet tijdig een beslissing op de aanvraag heeft genomen en dat eiseressen terecht een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing bij de rechtbank hebben ingediend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen