Rb. Noord-Nederland 26 augustus 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4049

Wmo. De intrekking van het pgb voor individuele begeleiding is een belastend besluit, zodat de bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan op verweerder rust. De voorzieningenrechter heeft, gelet op wat is overwogen in de uitspraak van heden in de zaken van de kinderen van verzoekster (zaaknummers LEE 16/2687 en LEE 16/2690), aanleiding gezien om uitsluitend op basis van een belangenafweging een voorlopige voorziening te treffen, waarbij is gewezen op de bestaande onzekerheid over de afloop van de bezwaarschriftprocedure. Het belang dat verzoekster, mede gelet op haar ASS en het belang van het gezin, heeft bij voortzetting van het pgb voor individuele begeleiding weegt zwaarder dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het primaire besluit. Onder verwijzing naar de brief van 22 januari 2015 van drs. A.G.H. Visser, kinder- en jeugdpsycholoog, en een rapportage van 12 juli 2016 van Veilig Thuis Friesland, is van belang dat een stabiele zorg rondom het gezin gewenst is en tevens dat er rust komt en blijft in het gezin. Het verzoek is toegewezen en de voorlopige voorziening zal inhouden dat verweerder wordt opgedragen de eerder aan verzoekster toegekende maatwerkvoorziening voort te zetten, in die zin dat haar pgb voor individuele begeleiding dient te worden voortgezet voor 4 uur per week. De voorzetting van het pgb voor individuele begeleiding geldt tot en met zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2016.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen