Rb. Noord-Nederland 6 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6890
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden zijn besluit heeft gehandhaafd om eiseres geen woonvoorziening (elektrische deuropener), geen voorziening voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en geen gehandicaptenparkeerkaart toe te kennen. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. De rechtbank volgt het oordeel van de door haar ingeschakelde onafhankelijke medische deskundigen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval daarvan af te wijken is de rechtbank niet gebleken. Daartoe overweegt de rechtbank dat het door de deskundigen Coster en Tulner verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies van de deskundigen op inzichtelijke en overtuigende wijze aan de hand van de onderzoeksbevindingen zijn onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten niet op een deugdelijke motivering berust. De beroepen gericht tegen voornoemde besluiten slagen. De rechtbank zal deze besluiten wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. In reactie op het deskundigenonderzoek heeft verweerder bij brief van 21 mei 2013 bericht bereid te zijn aan eiseres per week 3 uren hulp bij het huishouden (HH1) toe te kennen, voor de duur van één jaar. Ook is verweerder bereid een gehandicaptenparkeerkaart – bestuurder toe te kennen voor de duur van één jaar. De rechtbank duidt het schrijven van verweerder als een nieuw besluit in de zin van artikel 6:19 Awb. Gelet op de inhoud van het rapport van de deskundigen van Cavari Clinics is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres hiermee voldoende compenseert voor de gebreken die zij ondervindt. De bezwaren van eiseres richten zich ook niet op de hoeveelheid uren die aan haar worden verstrekt, maar enkel op de termijn waarvoor ze worden verstrekt. Het deskundigenrapport vermeldt echter dat er sprake moet zijn van tijdelijke verstrekking van de voorzieningen. Mocht eiseres na ommekomst van een jaar nog steeds onder behandeling staan en beperkingen ondervinden, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder hier bij de beoordeling van een eventuele nieuwe aanvraag rekening mee zal houden. Ook de beslissing om geen terugwerkende kracht aan de toekenning van huishoudelijke hulp te verlenen, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden juist. De taken zijn uitgevoerd door mantelzorgers. Niet is gebleken dat eiseres hiervoor kosten heeft gemaakt. De weigering van de woonvoorziening heeft eiseres niet gemotiveerd weersproken. Nu eiseres de woning is ingetrokken zonder daarvoor, vooraf, toestemming van het college te hebben verkregen, ligt het bovendien volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, onder andere in een uitspraak van 13 april 2011, LJN: BQ2868, op de weg van eiseres om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er ten tijde hier van belang geen geschikte woning voor haar beschikbaar was. Eiseres is hierin niet geslaagd. Het beroep tegen het besluit van 21 mei 2013 is gelet op bovenstaande ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl