Rb. Noord-Nederland 10 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6660
In deze zaak is de behandeld rechter lid van de klachtencommissie van Bureau Jeugdzorg Groningen (hierna: BJG). BJG is eveneens partij in de procedure. De rechter is daarop gewraakt. De enkele omstandigheid dat de rechter zowel lid is van de klachtencommissie van een instantie als de behandeld rechter waarbij die instantie in de procedure is betrokken, maakt niet dat hij in strijd met het bepaalde in artikel 3.4 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak heeft gehandeld en om die reden de objectieve schijn van partijdigheid heeft gewekt. Dit geldt evenwel niet voor de omstandigheid dat de rechter als lid van de klachtencommissie is benoemd door de Raad van Bestuur van BJG. De Raad van Bestuur kan volgens de klachtenregeling besluiten dat het lidmaatschap van een van de leden van de klachtencommissie tussentijds wordt beëindigd wanneer er sprake is van verwaarlozing van de taak ofwel wegens andere redenen. Hieruit blijkt dat de rechter in zijn hoedanigheid van lid van de klachtencommissie BJG niet volledig onafhankelijk is van BJG nu zijn lidmaatschap door haar Raad van Bestuur kan worden beëindigd. Ondanks dat niet is gebleken van daadwerkelijke partijdigheid van de rechter, wordt het wrakingsverzoek gegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl