Rb. Noord-Nederland 2 december 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:5991
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000; art. 33; verdeling tussen opvolgende advocaten In een strafzaak heeft de eerste advocaat werkzaamheden gedaan, waaronder een raadkamerbehandeling gevangenhouding. Daarna is de zaak overgedragen aan de opvolgende advocaat. Art. 33 van het Besluit bepaalt: “De rechtsbijstandverleners verdelen het bedrag in onderling overleg naar verhouding van de verrichte werkzaamheden.” De advocaten komen er samen niet uit. De eerste advocaat maakt aanspraak op 2 punten opvolgingsvergoeding en 3 punten voor de raadkamerbehandeling. De opvolgende advocaat vindt dat te veel en stelt verdeling op basis van bestede tijd voor. De kwestie speelt sinds februari 2012 en het belang is € 403,00. De Deken hebben zij niet ingeschakeld voor bemiddeling. De kantonrechter wijdt enige woorden aan het financiële belang van de zaak. De kantonrechter oordeelt dat de verdeling op de voet van art. 3:178 BW wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter overweegt verder dat het verdelen tussen elkaar opvolgende advocaten neerkomt op het verdelen van de schaarste waarbij, met name ook omdat het om ieders broodwinning gaat, de aan de zaak bestede tijd een belangrijke rol gaat spelen. Verder is voor de kantonrechter van betekenis wat in de beroepsgroep in het algemeen als redelijk wordt beschouwd. Daarbij wordt verwezen naar De Leidraad verdeling vergoeding bij opvolging in toevoegingszaken van de Raden van Toezicht van de Orde van Advocaten. Alles afwegende acht de kantonrechter - behoudens bijzondere omstandigheden - een verdeling op basis van bestede uren in overstemming met de redelijkheid en billijkheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl