Rb. Noord-Nederland 10 januari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BY8109
Uit de Wko en de daarbij behorende wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 447, nr. 3, o.a. p. 31 tot en met 33 en p. 86 tot en met 89) volgt dat de wetgever het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) heeft aangewezen als het bestuurorgaan dat toeziet op de naleving van de voor kindercentra geldende kwaliteitseisen. In dat kader heeft de wetgever het college een aantal bevoegdheden gegeven, waaronder de bevoegdheid om aanwijzingen te geven, zoals bedoeld in art. 1.65, lid 1 van de Wko, en de bevoegdheid om te verbieden dat de exploitatie van een kindercentrum wordt voorgezet, zoals bedoeld in art. 1.66, lid 1 van de Wko. Daarnaast heeft de wetgever in art. 1.65, lid 3 van de Wko de bevoegdheid gecreëerd om in spoedeisende gevallen een bevel te geven. Deze bevoegdheid heeft de wetgever niet toegekend aan het college, maar uitdrukkelijk aan de directeur. Gelet op de tekst van art.1.65, lid 3 van de Wko is hier sprake van attributie van een bevoegdheid aan de directeur. Hieruit volgt dat de directeur een bestuursorgaan is. Anders dan verweerder meent is hij zelfstandig bevoegd het bevel te geven en handelt de directeur niet namens verweerder indien hij een dergelijk bevel geeft. Dit gebrek kan niet in bezwaar worden hersteld, indien de directeur het bestreden besluit voor zijn rekening neemt. Daartoe overweegt hij dat de directeur op grond van art. 1.65, lid 3 van de Wko enkel van deze bevoegdheid gebruik kan maken, indien de kwaliteit van de kinderopvang bij een kindercentrum zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden. Uit de tekst van deze bepaling en de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 447, nr. 3, p. 89) leidt de voorzieningenrechter af dat deze bevoegdheid aan de directeur is toegekend, zodat hij kan optreden indien hij bij een kindercentrum een zodanige situatie aantreft dat onmiddellijk optreden geboden is en niet kan worden gewacht totdat het college een handhavingsbesluit heeft genomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier niet voor.
De uitspraak op rechtspraak.nl