Rb. Noord-Holland 31 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9757

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380819 / JU RK 26-1223
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1 Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 31 juli 2026.

2 De feiten

2.1 De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2 [de minderjarige] woont bij zijn ouders.

2.3 De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2026 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 maart 2027.

3 Het verzoek

3.1 De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2 De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Door de omstandigheid dat de moeder de Poolse nationaliteit heeft, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen.

4.2 Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

4.3 De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Uit informatie van betrokken hulpverlening en politie blijkt dat sprake is van een zorgwekkende en onveilige thuissituatie. Uit telefonische informatie van de GI blijkt dat de politie een aantal weken geleden een verklaring heeft opgesteld waaruit blijkt dat zij niet in staat zijn de veiligheid van het gezin te borgen. Ook is er vorige week nog een incident geweest. Vervolgens heeft op 30 juli 2026 een ernstige escalatie plaatsgevonden tussen moeder en [de minderjarige] . Volgens [de minderjarige] is er sprake geweest van een fysieke confrontatie tussen hem en moeder, waarna hij de woning heeft verlaten. [de minderjarige] heeft daarbij aan de directe gezinsbegeleider Bureau Mars aangegeven dat moeder alcohol had gedronken. Tevens heeft hij aangegeven dat hij zich thuis niet veilig voelt, dat niemand hem kan helpen en dat hij niet naar huis wilde terugkeren. Hij gaf aan desnoods op straat te zullen slapen. De politie heeft op dezelfde datum een interventie uitgevoerd in de woning. Tijdens deze interventie werd vastgesteld dat moeder alcohol had geconsumeerd, wat overeenkwam met 2/3 flessen alcohol. Daarnaast neemt [de minderjarige] momenteel niet deel aan onderwijs en heeft zowel school als de zorgboerderij aangegeven onvoldoende mogelijkheden te hebben om de ernstige gedragsproblematiek van [de minderjarige] te begeleiden zonder dat de veiligheid van anderen in gevaar komt. Naast de zorgen binnen de thuissituatie zijn er ook ernstige zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in zijn leefomgeving. Moeder heeft herhaaldelijk aangegeven dat [de minderjarige] wordt gepest en bedreigd door jongeren uit de buurt. Tevens bestaan er spanningen tussen het gezin en buurtbewoners. Vanwege de terugkerende incidenten is een vaste wijkagent betrokken bij het gezin en zijn er veiligheidsafspraken opgesteld. Moeder is door haar eigen belastbaarheid en de complexe gezinssituatie echter niet altijd in staat deze afspraken consequent na te komen. De GI ziet geen mogelijkheden meer om de thuissituatie voldoende te stabiliseren, nu moeder actief in gebruik is. Omdat de veiligheid van [de minderjarige] in het geding is zou er minimaal een andere volwassene dan moeder aanwezig moeten zijn die de veiligheid kan waarborgen. Vader is echter niet bereid en/of in staat om dit vorm te geven en er is geen netwerk beschikbaar die deze rol op zich kan nemen. Uit de telefonische informatie van de GI blijkt dat ook het recente incident van 30 juli 2026 niet heeft geleid tot de mogelijkheid van meer betrokkenheid van vader thuis. De GI heeft tot slot telefonisch toegelicht dat een passende plek wordt gezocht voor [de minderjarige] , binnen de uithuisplaatsingscategorie van een accommodatie jeugdhulpaanbieder.

4.4 Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.

4.5 De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.

4.6 De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.7 De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1 verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] [plaats] , in een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 31 juli 2026 tot 28 augustus 2026;

5.2 verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.4 roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. W.P. van der Haak op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;

5.5 bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;

5.6 vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen