Rb. Noord-Holland 3 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:946
Verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Bij vonnis is aan de verzoeker de verplichting tot betaling van € 120.120,00 aan de Staat opgelegd. De raadsvrouw van de verzoeker heeft verzocht tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering. De rechtbank stelt vast dat de verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, maar wijst het verzoek af. Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat sprake is van en situatie van (permanente) betalingsonmacht. Verzoeker heeft onvoldoende met stukken onderbouwd wat zijn huidige financiële situatie is, dat hij betalingsonmachtig is en waarom hij in de toekomst geen draagkracht heeft om de betalingsverplichting na te komen. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding tegemoet te komen aan het verzoek de ontnemingsmaatregel op nihil te stellen c.q. de betalingsverplichting te verminderen.
De uitspraak op rechtspraak.nl