Rb. Noord-Holland 10 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8630

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380014 / JU RK 26-1056
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1 Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026.

2 De feiten

2.1 De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2 [de minderjarige] woont bij haar ouders.

2.3 De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 december 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 maart 2026. Vervolgens is [de minderjarige] bij beschikking van deze rechtbank van 12 maart 2026 onder toezicht gesteld van de GI tot 12 maart 2027.

2.4 De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 maart 2026 een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, welke machtiging vervolgens is verlengd tot 12 juni 2026.

2.5 Een verzoek van de GI tot een gesloten plaatsing van [de minderjarige] is door de kinderrechter afgewezen omdat een verklaring van een gedragswetenschapper ontbrak. [de minderjarige] kon niet langer in de open accommodatie verblijven waardoor zij sinds een aantal weken weer thuis bij de ouders verblijft.
Op 6 juli 2026 is door de GI een tweede regulier verzoek tot gesloten uithuisplaatsing van [de minderjarige] ingediend.

3 Het verzoek

3.1 De GI verzoekt opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2 De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1 Door de omstandigheid dat de ouders en [de minderjarige] de Syrische nationaliteit hebben, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen.

4.2 Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

4.3 De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] staat sinds 24 december 2025 onder toezicht van de GI in verband met zorgen over haar beïnvloedbaarheid, emotieregulatie, begrensbaarheid en haar vermogen om de gevolgen van haar handelen te overzien. De zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling zijn sindsdien niet afgenomen. Er zijn ernstige zorgen over haar contacten met oudere jongens, haar veelvuldige verblijf buitenshuis en de risico's waaraan zij zichzelf blootstelt. De situatie is recent geëscaleerd, dit leidt ertoe dat de zorgen acuut en ernstig zijn toegenomen. De GI heeft op 9 juli jl. van de politie vernomen dat [de minderjarige] wordt genoemd in een onderzoek van de zedenpolitie, naar aanleiding van de verklaring van een 11 jarig meisje bij [de minderjarige] uit de straat, dat dit meisje slachtoffer is geworden van seksueel geweld. Dit meisje is ’s nachts met [de minderjarige] van huis was weggelopen en in [plaats] teruggevonden. Het meisje zegt dat [de minderjarige] haar in contact heeft gebracht met jongens met seksuele intenties.
Verder heeft de GI op 10 juli jl. van de politie vernomen dat de vader van [de minderjarige] ernstig mishandeld is en wordt bedreigd met spraakberichten. [de minderjarige] staat in rechtstreeks contact met deze bedreigers en stuurt de dreigende spraakberichten door. De vader van [de minderjarige] wil geen aangifte doen van de mishandeling en weigert de namen van betrokkenen te noemen.

4.4 De recente ontwikkelingen brengen risico's mee voor [de minderjarige] . Gezien haar leeftijd, haar beïnvloedbaarheid en haar contacten binnen dit netwerk is zij onvoldoende in staat zichzelf tegen deze risico's te beschermen. De Kinderrechter is van oordeel dat de recente ontwikkelingen aantonen dat de ouders, ondanks hun inzet en betrokkenheid, de veiligheid van [de minderjarige] op dit moment niet kunnen waarborgen.

4.5 Gelet op de recente ontwikkelingen kan de behandeling op de zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Daarom wordt het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de duur van vier weken toegewezen en voor het overige aangehouden.

4.6 Op basis van voornoemde informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.

4.7 De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.

4.8 De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

4.9 De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1 verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 juli 2026 tot 7 augustus 2026;

5.2 verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;

5.4 roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. N. Cuvelier op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, aan de Kruseman van Eltenweg 2 te Alkmaar;

5.5 bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;

5.6 vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. P.E. van der Veen, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. N. Cuvelier, kinderrechter op 13 juli 2026 in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen