Rb. Noord-Holland 8 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8470

Luchtvaart. EPGV. De passagiers vragen compensatie voor een vertraagde vlucht en een gemiste overstap. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat hij geen buffertijd bovenop de minimaal benodigde overstaptijd heeft ingepland. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te voorkomen. Het verzoek wordt toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 12028027 \ CV FORM 25-8643
Uitspraakdatum: 8 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1 [verzoeker 1]
2. [verzoeker 2]
beiden wonende te [plaats]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Italia Trasporto Aereo S.p.A.
gevestigd te Rome, Italië
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Rietveld (Heussen)

De zaak in het kort De passagiers vragen compensatie voor een vertraagde vlucht en een gemiste overstap. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat hij geen buffertijd bovenop de minimaal benodigde overstaptijd heeft ingepland. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te voorkomen. Het verzoek wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1 Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A);
het antwoordformulier (formulier C).

2 De feiten

2.1 De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 14 en 15 juli 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Rome, Italië, naar Tokio, Japan, met vluchtcombinatie AZ107 en AZ792.

2.2 De vervoerder heeft vlucht AZ107 van Amsterdam naar Rome (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vluchtcombinatie waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.

2.3 De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4 De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1 De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2 De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.

3.3 De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1 De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2 De passagiers zijn meer dan drie uur later dan gepland op de eindbestemming aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3 De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, ongeacht of de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat een luchtvaartmaatschappij in haar planning redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van eventuele buitengewone omstandigheden. Daarbij moet zij een bepaalde reservetijd inplannen. De kantonrechter acht een buffer van ten minste 20 minuten bovenop de minimale overstaptijd noodzakelijk.

4.4 In dit geval heeft de vervoerder slechts de minimumoverstaptijd (‘MCT’) ingepland als overstaptijd en daar geen enkele reservetijd bovenop ingepland. Gelet op het voorgaande heeft hij daarmee niet alle redelijke maatregelen getroffen om de langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming te voorkomen. Dit betekent dat ook als vast zou komen te staan dat de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder de passagiers moet compenseren. Het verzoek zal worden toegewezen.

4.5 De verzochte wettelijke rente over de compensatie is toewijsbaar vanaf de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop zij op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een verzoek tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen zoals verzocht.

4.6 De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.7 De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van het indienen van het vorderingsformulier. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden

4.8 De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.9 Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing De kantonrechter:

5.1 veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.417,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 15 juli 2024 en over € 217,80 vanaf 23 december 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2 veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 217,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3 wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken