Rb. Noord-Holland 26 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7500
Het college van gedeputeerde staten heeft aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd om (in essentie) het doden van beschermde dieren op de bouwvelden binnen het projectgebied van eiseres te voorkomen. Eiseres is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een overtreding van de voorschriften van de ontheffing, zoals bedoeld in artikel 5.5 Omgevingswet (Ow). Ook is niet gebleken dat sprake is van overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, Ow, gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, aanhef en onder a, Bal, te weten het opzettelijk doden van dieren zonder flora- en faunavergunning. Van voorwaardelijk opzet is volgens de rechtbank geen sprake. Dit betekent dat voor het opleggen van de last onder dwangsom geen sprake was van een door eiseres gepleegde overtreding. Het college had daarom niet de bevoegdheid om de last onder dwangsom op te leggen. Het beroep is gegrond en de last wordt herroepen. Omdat de opgelegde last onder dwangsom met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt, is de grondslag voor het invorderingsbesluit komen te vervallen. Daarom zal de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het invorderingsbesluit ook gegrond verklaren en dit invorderingsbesluit vernietigen. Dit betekent dat het college de reeds door eiseres betaalde dwangsommen dient terug te betalen.
De uitspraak op rechtspraak.nl