Rb. Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7413

Luchtvaart; Vertraging. De vervoerder voert aan dat hij niet de uitvoerende luchtvaartmaatschappij is. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11828707 \ CV EXPL 25-5127
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
British Airways PLC
gevestigd te Harmondsworth (Verenigd Koninkrijk)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt (Ploum Rotterdam Law Firm)

De zaak in het kort

De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij niet de uitvoerende luchtvaartmaatschappij is. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 5 februari 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Heathrow Airport, Londen (Verenigd Koninkrijk), naar Perth Airport (Australië) met vluchtnummers BA423 en QF10.

2.2 De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

2.3 De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4 De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1 De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraging van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; - € 360,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- en de nakosten.

3.2 De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).

3.3 De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2 De vervoerder voert aan dat de passagiers met British Airways en Qantas een vervoerovereenkomst hebben gesloten voor de vluchtcombinatie van Amsterdam naar Perth en dat de vervoerder niet betrokken is geweest bij de vlucht vanaf de luchthaven van Londen. De kantonrechter overweegt als volgt.

4.3 In de beschikking van het Hof is het volgende overwogen: “Wat de vraag betreft wie aansprakelijk is voor de betaling van de compensatie die verschuldigd is in geval van langdurige vertraging bij aankomst van rechtstreeks aansluitende vluchten, zoals die in het hoofdgeding, heeft het Hof verduidelijkt dat elke luchtvaartmaatschappij die ten minste één van deze rechtstreeks aansluitende vluchten heeft uitgevoerd deze compensatie verschuldigd is, ongeacht of de door haar uitgevoerde vlucht al dan niet aan de basis lag van de langdurige vertraging waarmee de passagier op zijn eindbestemming is aangekomen (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C502/18, EU:C:2019:604, punten 2026)”.

4.4 Vaststaat dat ten minste een gedeelte van de reis (de vlucht van Amsterdam naar Londen) feitelijk zou worden uitgevoerd door de vervoerder en dat de vlucht is vertraagd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vervoerder - als uitvoerende luchtvaartmaatschappij - aansprakelijk kan worden gehouden voor de compensatie die mogelijk verschuldigd is als gevolg van de vertraging die de passagiers tijdens de uitvoering van deze vlucht hebben opgelopen. Verder wordt overwogen dat de bedoeling van de Verordening is om een hoge en effectieve mate van bescherming van de rechten van passagiers te realiseren. In dat kader is geabstraheerd van contractuele verhoudingen: passagiers die in het bezit zijn van een bevestigde boeking voor een vlucht kunnen ingeval die vlucht is vertraagd die luchtvaartmaatschappij die deze zou uitvoeren aanspreken, ongeacht of zij daarmee rechtstreeks een overeenkomst zijn aangegaan. De luchtvaartmaatschappij kan in voorkomende gevallen vervolgens verhaal zoeken bij de touroperator, (of in dit geval British Airways).

4.5 De vervoerder heeft verder geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering, daarom wordt de vordering van de passagiers toegewezen.

4.6 De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.7 De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.

4.8 De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1 veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 2.760,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.400,00 vanaf 5 februari 2023, en over € 360,00 vanaf 4 februari 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

5.2 veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97; salaris gemachtigde € 506,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.3 veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 126,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5 wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Aangehaalde artikelen