Rb. Noord-Holland 7 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14250
Verzoek om terug te komen op terugvorderingen WAO-uitkering afgewezen. Geen nieuwe feiten.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4243
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: P. Nicolaï).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de weigering van het Uwv om een tweetal besluiten van 15 juli 2010 te herzien. Met deze besluiten heeft het Uwv de uitkering van eiser op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over twee periodes teruggevorderd. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv had moeten terugkomen van de terugvorderingsbesluiten.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de besluiten uit 2010 niet hoefde te herzien. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij het besluit gebleven om de besluiten uit 2010 niet te herzien.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2 Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3 De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Wat vooraf ging
3 Met de besluiten van 15 juli 2010 heeft het Uwv besloten de WAO-uitkering van eiser over twee periodes (18 april 2005 tot 9 maart 2006 en 1 september 2008 tot 17 maart 2009) niet te betalen, vanwege (verzwegen) inkomsten uit hennepteelt. Tevens heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering over die periodes van eiser teruggevorderd, dat betreft respectievelijk een bedrag van € 14.090,36 en € 9.903,59.
4 Het Uwv heeft de bezwaren tegen deze besluiten op 17 februari 2011 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
5 Eiser heeft (naar aanleiding van de herinnering van 17 oktober 2024 over de nog openstaande vordering van (in totaal) € 23.415,09) verzocht om kwijtschelding. Het Uwv heeft dat verzoek afgewezen.
6 Het Uwv heeft het verzoek om kwijtschelding ook opgevat als een verzoek om herziening van de besluiten van 15 juli 2010. Het Uwv heeft dat verzoek vervolgens afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Bij het verzoek waren berichten van de Belastingdienst gevoegd, waarmee belastingaanslagen (inkomstenbelasting, premies Zvw) over 2006, 2008 en 2009 zijn verminderd. Omdat de beslissingen van het Uwv in 2010 gebaseerd waren op het wederrechtelijk verkregen voordeel, veranderen de gewijzigde belastingaanslagen daarin niets.
7 In het bezwaar heeft eiser aangevoerd dat er geen sprake meer is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat hij de ontnemingsvordering heeft betaald en dat dit ook de reden is dat de belastingdienst zijn belastbaar inkomen heeft teruggebracht naar het inkomen dat toen is aangegeven.
8 In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden en om die reden geen aanleiding bestaat terug te komen van de besluiten van 15 juli 2010.
Beroepsgronden
9 Eiser voert in beroep aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Volgens hem leidt het besluit tot een onevenredig nadeel. Het voordeel is reeds door de strafrechter ontnomen en hij heeft volledig terugbetaald. Fiscaal zijn aanslagen en boetes gecorrigeerd. Eiser wordt op deze manier dubbel bestraft. Hiermee wordt het ‘ne bis in idem’ beginsel ook geschonden. Eiser voert verder aan dat het Uwv onjuiste toepassing van de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:2973) geeft, omdat het Uwv miskent dat de Hoge Raad ruimte laat om rekening te houden met terugvorderingen van uitkeringsinstanties bij de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierdoor is de motiveringsplicht geschonden. Eiser voert verder aan dat zelfs indien het Uwv bevoegd zou zijn terug te vorderen het de hardheidsclausule had moeten toepassen, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden. Terugvordering is evident onredelijk gelet op de reeds betaalde ontneming en de vernietigde aanslagen. Eiser voert verder aan dat het Uwv zich ten onrechte baseert op aangedragen onderzoek. Het Uwv heeft niet zelf onderzoek gedaan, maar heeft zich gebaseerd op de strafzaak. Dat is volgens eiser in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Verweerschrift
10 Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het voldoen van de ontnemingsmaatregel niet als een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kan worden aangemerkt. Uit de aanwezige gegevens is volstrekt helder dat eiser in de betreffende perioden illegale werkzaamheden heeft verricht die hij niet bij het Uwv heeft gemeld. Omdat eiser geen administratie heeft bijgehouden, maar deze wel een economische waarde vertegenwoordigen, is voor de vaststelling hiervan uitgegaan van de door de politie gemaakte berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat eiser hiervan inmiddels een deel via de ontnemingsvordering niet kan beschouwen als voordeel maakt niet dat er in de betreffende periodes geen activiteiten zijn verricht die op geld waardeerbaar zijn. Wat betreft de fiscale correcties merkt het Uwv op dat die niet zien op de hele periodes waarover de oorspronkelijke besluiten gaan. Het Uwv verwijst verder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarbij de CRvB uitsprak dat het oordeel van de strafrechter over de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet van invloed is op de hoogte van het in een bestuursrechtelijke procedure terug te vorderen bedrag.
Beoordeling door de rechtbank
11 De rechtbank stelt allereerst vast dat de oorspronkelijke besluiten van 15 juli 2010 rechtens vaststaan. Eiser is – na bezwaar – immers niet in beroep gegaan. Wat eiser heeft aangevoerd over de totstandkoming van deze besluiten valt daarom buiten de omvang van dit geding. De rechtbank zal deze gronden daarom niet bespreken.
Toetsingskader
12 In een geval als dit, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Een dergelijke vaststelling kan de afwijzing van een herhaalde aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat is aangevoerd echter tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
Nieuwe feiten?
13 De feiten die eiser aandraagt zijn de gecorrigeerde belastingaanslagen en het betalen van de ontnemingsvordering. Dat zijn weliswaar nieuwe gebeurtenissen in de zin dat ze dateren van na de besluitvorming over de terugvordering, maar deze gebeurtenissen maken niet dat de oorspronkelijke besluiten anders zouden hebben geluid als deze toen bekend zouden zijn geweest. De oorspronkelijke besluiten zijn gebaseerd op de schattingen van de inkomsten van eiser in de betreffende periodes, waarbij de berekening van de politie uitgangspunt was. In de eerste periode is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op € 6.947,84 per week en in de tweede periode € 12.009,89 per week. Deze bedragen, die als inkomsten uit arbeid aan te merken zijn, hebben geleid tot de vaststelling van een (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De door eiser aangedragen feiten veranderen daar niets aan. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het beroep van eiser op het door hem genoemde arrest van de Hoge Raad niet opgaat. In dit arrest staat, zoals eiser overigens ook zelf aangeeft, dat de strafrechter rekening kan houden met eventuele terugvorderingen van uitkeringen bij het bepalen van de hoogte van de ontneming. Volgens vaste rechtspraak kan de vaststelling door de strafrechter van een wederrechtelijk genoten voordeel echter (omgekeerd) niet van invloed zijn op de hoogte van het bedrag dat in een bestuurlijke procedure teruggevorderd wordt.
14 De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat sprake is van dubbele bestraffing. Bij de terugvordering van de uitkering gaat het om het herstellen van de rechtmatige situatie. Eiser had geen recht op uitbetaling van de uitkering in de betreffende periodes, vanwege de (zeer hoge) inkomsten uit arbeid, die hij niet had gemeld. De uitkering is over de betreffende periodes daarom onverschuldigd betaald. Het Uwv is in een dergelijk geval verplicht de te veel betaalde uitkering terug te vorderen, hetgeen niet gelijkstaat aan een (strafrechtelijke) bestraffing.
Evident onredelijk?
15 Het Uwv heeft zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Verder ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden het besluit van het Uwv om niet terug te komen van de oorspronkelijke besluiten evident onredelijk te achten. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, indien eiser niet in staat is terug te betalen, een terugbetalingsregeling getroffen kan worden.
Conclusie en gevolgen
16 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Burggraaff, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.