Rb. Noord-Holland 7 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14140

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een studietoeslag op grond van de Participatiewet (PW). Eiseres is het hier niet mee eens en stelt, onder verwijzing naar het medisch advies van 19 september 2025, dat zij niet in staat was om het minimumloon te verdienen en het college onvoldoende waarde heeft gehecht aan dit medisch advies. De rechtbank is het met eiseres eens, omdat een deugdelijke motivering ontbreekt voor de afwijzing van de aanvraag. Het beroep slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1759
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Nieuw-Vennep, eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigden: M. Bay en A. Amenzou).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een studietoeslag op grond van de Participatiewet (PW). Eiseres is het hier niet mee eens en stelt, onder verwijzing naar het medisch advies van 19 september 2025, dat zij niet in staat was om het minimumloon te verdienen en het college onvoldoende waarde heeft gehecht aan dit medisch advies. De rechtbank is het met eiseres eens, omdat een deugdelijke motivering ontbreekt voor de afwijzing van de aanvraag. Het beroep slaagt.

Procesverloop

2.1 Met het besluit van 16 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres voor een studietoeslag op grond van de PW afgewezen.

2.2 Met het besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2.3 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4 De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigden van het college deelgenomen.

Totstandkoming van het besteden besluit

3.1 Eiseres heeft medische klachten en beperkingen vanwege haar reuma. Eiseres heeft in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2024 gestudeerd. Zij heeft voor de door haar gevolgde studies haar diploma’s behaald. Naast het volgen van haar studie heeft eiseres twee keer per week 3-4 uur gewerkt.

3.2 Eiseres heeft op 24 februari 2025 met terugwerkende kracht studietoeslag aangevraagd voor de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2024. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de in artikel 36b, eerste lid, van de PW gestelde voorwaarde dat zij door ziekte of gebrek structureel niet in staat is om naast haar studie te werken. Eiseres heeft tegen hiertegen bezwaar gemaakt.

3.3 Lopende de bezwaarprocedure heeft het college een medisch advies opgevraagd. Naar aanleiding hiervan heeft een dossieronderzoek plaatsgevonden en is eiseres op 8 september 2025 gezien door een arts, waarna het medisch advies is opgesteld. In het medisch advies van 19 september 2025 is geconcludeerd dat aannemelijk is dat eiseres vanwege haar chronische aandoening veel lichamelijke beperkingen heeft ervaren tijdens haar studie. Zij was niet in staat om vanaf april 2019 het wettelijk minimumloon te verdienen. Eiseres heeft een aantal uur per week gewerkt, maar dit is ten koste gegaan van haar complete sociale leven.

3.4 In de e-mail van 27 februari 2026 heeft de arts gereageerd op de door het college gestelde vervolgvragen. Hierin is door de arts onder meer vermeld “betrokkene heeft/had een verminderde belastbaarheid door haar aandoeningen. (…). Echter zeker tijdens het derde jaar waarin zij fysiek stage heeft moeten lopen, heeft dit geleid tot overbelasting en veelvuldige ziekenhuisbezoeken en ingrepen (bevestigd door medische informatie).”.

3.5 Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat voor wat betreft de periode van 1 augustus 2019 tot en met 1 april 2022 geldt dat de studietoeslag destijds een vorm van bijzondere bijstand betrof. Bij bijzondere bijstand geldt als uitgangspunt dat deze in beginsel niet met terugwerkende kracht kan worden verstrekt, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In het geval van eiseres is volgens het college geen sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Onbekendheid met de wet- en regelgeving levert namelijk geen bijzondere omstandigheden op. Ook is niet gebleken dat eiseres in die periode, al dan niet met behulp van derde, niet in staat was om eerder een aanvraag in te dienen.
Voor wat betreft de periode van 1 april 2022 tot en met 31 augustus 2024 geldt dat de studietoeslag geen vorm van bijzondere bijstand meer betrof, maar een aparte inkomensvoorziening is geworden. De studietoeslag kan hierdoor met terugwerkende kracht worden toegekend vanaf 1 april 2022. Nu eiseres gedurende meerdere jaren naast haar studie heeft gewerkt en structureel inkomen heeft ontvangen is niet voldaan aan de voorwaarde dat een persoon als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek structureel niet in staat is om naast studie inkomsten te verwerven. Niet is gebleken dat de door eiseres verrichten werkzaamheden incidenteel of marginaal van aard waren. Evenmin is gebleken dat eiseres arbeidsongeschikt was of slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kon werken. Eiseres heeft immers zelf verklaard te kunnen werken en dat zij niet op de hoogte was van deze regeling. Het enkele feit dat de verrichtte arbeid inspanning vergde of gevolgen had voor haar sociale leven betekent niet zonder meer dat zij niet in staat was om het wettelijk minimumloon te verdienen. Uit het aanvullend medische advies van 27 februari 2026 is verder gebleken dat eiseres vanwege haar financiële situatie heeft moeten werken om haar studie te kunnen bekostigen. Eiseres heeft aangegeven bewust de keuze te hebben gemaakt om niet maximaal te lenen, maar naast haar opleidingen verschillende baantjes te hebben. Dit betreft een eigen keuze. Eiseres heeft hierdoor inkomsten verworven en dus geen recht op een studietoeslag.

Standpunt eiseres

4 Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte haar aanvraag voor de studietoeslag heeft afgewezen. Daarbij acht zij van belang dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij in staat was om naast haar studie te werken. Uit het medisch advies volgt immers dat zij niet is staat was om het minimumloon te verdienen. Het college heeft gelet hierop onvoldoende rekening gehouden met de inhoud van het opgevraagde medisch advies. Verder geldt dat zij heeft gewerkt vanwege de financiële noodzaak daartoe en de werkzaamheden beperkt waren qua omvang en waren afgestemd op hetgeen zij kon vanwege haar beperkingen. Het werken naast haar studie heeft geleid tot extra medische klachten. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar de brief van de reumatoloog van 8 april 2025. Eiseres is van mening dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en het doel en de strekking van de studietoeslag door het college is miskend. Daarnaast stelt eiseres dat zij haar aanvraag met terugwerkende kracht heeft ingediend, omdat zij destijds niet op de hoogte was van het bestaan van de studietoeslagregeling. Als zij hiervan wel op de hoogte was geweest had zij eerder een aanvraag ingediend.

Standpunt college

5 Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de studietoeslag met terugwerkende kracht per 1 augustus 2019 had moeten worden toegekend. Onbekendheid met de wet- en regelgeving levert immers geen bijzondere omstandigheden op. Niet is verder gebleken dat eiseres, al dan niet met behulp van derde, niet in staat was om eerder een aanvraag te doen.

Verder stelt het college dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek structureel niet in staat was om naast haar studie inkomsten te verwerven. Eiseres heeft meerdere jaren naast haar studie arbeid verricht en hiermee structureel inkomsten gegenereerd. Niet is gebleken dat deze werkzaamheden incidenteel of marginaal van aard waren. Evenmin is gebleken dat eiseres volledig arbeidsongeschikt was of slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kon werken. Eiseres heeft zelf verklaard dat zij heeft gewerkt naast haar studie en zij niet op de hoogte was van de regeling. Ook heeft zij zelf de keuze gemaakt om niet maximaal te lenen, maar naast haar opleidingen verschillende bijbaantjes te nemen. Het enkele feit dat de arbeid inspanning vergde of gevolgen had voor het sociale leven betekent niet zonder meer dat zij niet in staat was om het wettelijk minimumloon te verdienen.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep niet-tijdig beslissen

6 Eiseres heeft op 12 maart 2026 een beroep vanwege het niet tijdig beslissen op haar bezwaar ingediend. Vaststaat dat het college op 4 maart 2026 heeft beslist op het bezwaar van eiseres. Nu er door het college, anders dan eiseres stelt, tijdig is beslist, is het beroep vervolgens inhoudelijk behandeld. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een procesbelang.

Periode 1 augustus 2019 tot en met 1 april 2022

7 Voor wat betreft de aanvraag studietoeslag over de periode 1 augustus 2019 tot en met 1 april 2022, geldt dat de studietoeslag in deze periode een vorm van bijzondere bijstand betrof. Als uitgangspunt geldt dat bijzondere bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen die dit rechtvaardigen. Het is de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden. Niet is immers gebleken dat eiseres in die periode, al dan niet met behulp van derden, niet in staat was tot het eerder indienen van een aanvraag. Het enkele feit dat eiseres niet bekend was met de mogelijkheid om een studietoeslag aan te vragen, in feite onbekendheid met wet- en regelgeving, is geen bijzondere omstandigheid.

Periode 1 april 2022 tot en met 31 augustus 2024

8.1 In artikel 36b, eerste lid, van de PW is bepaald dat in aanvulling op artikel 7 het college op aanvraag van een belanghebbende die als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven, een studietoeslag verstrekt waarvan de minimale hoogte, die voor naar leeftijd te onderscheiden categorieën belanghebbenden verschillend kan zijn, bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

8.2 Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het doel van de studietoeslag is om jongeren met een structurele medische beperking die niet kunnen bijverdienen naast en tijdens hun studie, een extra (financiële) steun in de rug te geven. Daarbij is het de bedoeling om mensen met een beperking erin te laten slagen om via een opleiding aan een baan te komen. Uit deze wetsgeschiedenis volgt verder dat een arts in het medisch advies de vraag moet beantwoorden of een belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie.

8.3 Het staat niet ter discussie dat bij eiseres sprake is van een chronische aandoening en daaruit voortvloeiende beperkingen. Noch dat zij ondanks haar medische situatie en beperkingen in de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 augustus 2024 heeft gestudeerd en deze studie zonder vertraging heeft afgerond. Ook staat vast dat eiseres naast haar studie, in een aangepaste vorm, structureel werkzaamheden heeft verricht.

8.4 In het medisch advies van 19 september 2025 en de aanvulling van 27 februari 2026 wordt geconcludeerd dat aannemelijk is dat eiseres vanwege haar chronische aandoening veel lichamelijke beperkingen heeft ervaren tijdens haar studie en in die periode niet in staat was het wettelijk minimumloon te verdienen. Ook is vermeld dat de combinatie van werk en studie heeft geleid tot overbelasting, veelvuldige ziekenhuis bezoeken en medische ingrepen. Eiseres heeft gewezen op de brief van haar reumatoloog van 8 april 2025 en heeft ter zitting nog toegelicht dat haar werkgever flexibel met haar inzet omging, zij kon haar werkzaamheden aanpassen aan haar mogelijkheden. Verder werkte zij niet in tentamenperiodes. Het college heeft de inhoud van het medisch advies niet betwist, maar wel in de besluitvorming dit advies buiten beschouwing gelaten zonder nadere motivering.

8.5 De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden, nu het medisch advies niet ter discussie staat en daaruit afgeleid kan worden dat de arts eiseres niet in staat acht om naast haar studie vanwege haar medische beperkingen een inkomen te verwerven en dat, nu eiseres wel heeft gewerkt, haar gezondheidssituatie is verslechterd. Normaliter betekent het verwerven van inkomen dat eiseres geen aanspraak kan maken op de studietoeslag. In dit geval heeft de arts verklaard dat de combinatie van werk en studie heeft geleid tot overbelasting, veelvuldig ziekenhuis bezoeken en medische ingrepen. Het college heeft niet toegelicht waarom is afgeweken van het medisch advies, terwijl het college daartoe gehouden is. Dat betekent dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het op de weg van het college had gelegen, indachtig het doel van de studieregeling (om jongeren die vanwege structureel aanwezige ziekte of gebrek niet in staat zijn om naast hun studie inkomsten te verwerven, financieel te ondersteunen), om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.

8.6 Het voorgaande betekent dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe zij tot de afwijzing van de aanvraag is gekomen. Dat betekent dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist die het bestreden besluit kan dragen en om die reden wordt vernietigd.

Conclusie en gevolgen

9.1 Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de afwijzing van de aanvraag.

9.2 Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het inhoudelijke besluit gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2026;
draagt het college op om binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak, en
bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 54,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen