Rb. Noord-Holland 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13787

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in zijn planschade. Het verzoek ziet op planschade die zou zijn geleden door de omgevingsvergunning voor het bouwen van winkels en appartementen tussen de twee blokken van de winkelpromenade in Sint Maartensvlotbrug. Eiser voert aan dat hij door het bouwplan schade lijdt en dat deze schade in causaal verband staat met de omgevingsvergunning. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het planschadeverzoek mocht afwijzen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gestelde schade in causaal verband staat met de omgevingsvergunning. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1495
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Waverveen, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen
(gemachtigde: G. Lukken).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Recreatie Beheer B.V. uit Sint Maartensvlotbrug
(gemachtigde: mr. W.J.T. Ursem).

Samenvatting

1.1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in zijn planschade. Het verzoek ziet op planschade die zou zijn geleden door de omgevingsvergunning voor het bouwen van winkels en appartementen tussen de twee blokken van de winkelpromenade aan de Zeeweg in Sint Maartensvlotbrug. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe aan dat hij door het bouwplan schade lijdt en dat deze schade in causaal verband staat met de omgevingsvergunning. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het planschadeverzoek.

1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het planschadeverzoek mocht afwijzen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gestelde schade in causaal verband staat met de omgevingsvergunning. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1 Eiser heeft op 31 juli 2023 bij het college een verzoek om een tegemoetkoming in zijn planschade ingediend. Het college heeft het verzoek bij het primaire besluit van 22 mei 2024 afgewezen.

2.2 Bij het bestreden besluit van 28 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van een tegemoetkoming in de planschade gebleven.

2.3 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.4 De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en mr. [naam adviseur] (opsteller van de adviesrapporten planschade). Op de zitting heeft eiser een schriftelijke reactie op het verweerschrift ingebracht.

Totstandkoming van het besluit

3.1 Eiser is sinds 2010 eigenaar van het pand aan de [adres] in Sint Maartensvlotbrug (hierna: het pand). Het pand bevat - op de begane grond - een winkelruimte en een bovenwoning. Eiser verhuurt dit geheel, waaruit hij huurinkomsten ontvangt.

3.2 Het pand is onderdeel van een winkelpromenade naast een parkeerplaats, waar bezoekers, die onder andere naar het naastgelegen duingebied en strand gaan, kunnen parkeren. De ingang en etalages van de winkels liggen aan de noordzijde van de promenade (richting de Zeeweg). De achterkant van de winkels ligt aan de zuidzijde aan de parkeerplaats. De winkelpromenade bestond uit drie blokken, met daartussen twee keer een doorsteek richting de parkeerplaats. Het pand van eiser lag op de hoek van een van deze blokken. Rondom de winkelpromenade zijn verder onder meer hotels en recreatieparken gelegen.

3.3 Het college heeft op 16 maart 2016 een omgevingsvergunning verleend voor ‘het oprichten van een hotel met restaurant, 71 recreatieappartementen, 3 winkels, 3 woningen en een parkeerkelder op het perceel Zeeweg 39A in Sint Maartensvlotbrug, perceel G1931’ (hierna: de omgevingsvergunning). Een onderdeel van deze omgevingsvergunning is dat de twee doorsteken tussen de drie blokken van de winkelpromenade dicht worden gebouwd met winkels en bovenwoningen. Dit deel van het bouwplan is gerealiseerd. Daardoor is het pand van eiser geen hoekpand meer. Het overig vergunde is (nog) niet gerealiseerd.

3.4 Ter plaatste gold ten tijde van de omgevingsvergunning het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe. Op basis van dit bestemmingsplan had de winkelpromenade de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie 3’. De omgevingsvergunning is verleend met een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid.

3.5 Onder meer eiser heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning. Na de uitspraak van 1 augustus 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de omgevingsvergunning onherroepelijk geworden.

3.6 Eiser heeft op 31 juli 2023 een verzoek gedaan om een tegemoetkoming in zijn planschade van in totaal € 18.421,-, geleden door de omgevingsvergunning (hierna: het planschadeverzoek). Uit het verzoek volgt dat de schade bestaat uit huurinkomstenderving en waardevermindering van het pand. Dit komt volgens eiser doordat minder klanten de winkel in het pand bezoeken en omdat de gebruiksmogelijkheden van het pand zonder de naastgelegen doorsteek zijn beperkt. Eiser heeft het planschadeverzoek op 26 december 2023 aangevuld met een nadere toelichting.

3.7 Voor de beoordeling van het planschadeverzoek heeft het college mr. [naam adviseur] van Langhout Wiarda Bestuursschade & Omgevingsrecht Deskundigen als adviseur aangewezen (hierna: de adviseur). Bij e-mail van 9 oktober 2023 heeft eiser de adviseur gewraakt. Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft het college de wraking afgewezen.

3.8 De adviseur adviseert het college in het rapport van 12 februari 2024 om het planschadeverzoek af te wijzen. De gestelde verminderde verhuurbaarheid en waardevermindering zijn volgens de adviseur niet toe te rekenen aan de planologische wijziging (de omgevingsvergunning). Andere oorzaken zijn eerder debet aan de gestelde verminderde verhuurbaarheid, zoals het niet realiseren van de planologische mogelijkheden die de omgevingsvergunning biedt, de houding van de Vereniging van Eigenaren (hierna: de VvE) voor wat betreft het plaatsen van reclameborden aan de zuidzijde van de boulevard en de uitstraling en de plaatsing van de entrees van de winkels. Onder verwijzing naar dit advies heeft het college het planschadeverzoek in het primaire besluit van 22 mei 2024 afgewezen.

3.9 Tegen het primaire besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het rapport van 13 november 2024 reageert de adviseur op de bezwaargronden van eiser. Volgens de adviseur heeft eiser nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schade en de planologische wijziging.

3.10 In de beslissing op bezwaar van 28 januari 2025 blijft het college bij de afwijzing van het planschadeverzoek. Bij deze beoordeling gaat het college af op het advies van de adviseur en het advies van de bezwarencommissie van 7 januari 2025. Het college motiveert in het bestreden besluit dat de gestelde schade niet in een rechtstreeks causaal verband staat met de planologische wijziging (de omgevingsvergunning). Het college wijst erop dat het in de oude situatie ook al niet goed ging met de bereikbaarheid, de bezoekersaantallen en de uitstraling van de winkelpromenade. Volgens het college zijn de afname van bezoekersaantallen en waardevermindering van het pand het gevolg van andere omstandigheden.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

4.1 Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.18 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.

4.2 De door eiser in de aanvraag van 31 juli 2023 aangewezen oorzaak van de gestelde schade, de omgevingsvergunning, is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Onpartijdigheid adviseur

5.1 Eiser voert aan dat de adviseur de schijn van vooringenomenheid had. Het college heeft ten onrechte zijn wrakingsverzoek afgewezen. De adviseur zou banden hebben met de projectontwikkelaar en vooringenomen zijn bij zijn advisering. Op de zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij van een andere familie had gehoord over een slechte ervaring met de adviseur. Volgens eiser vertoonde de adviseur bij het locatiebezoek ook de schijn van vooringenomenheid. Verder heeft de adviseur de ingenomen stelling dat de VvE al alle reclame-uitingen had verboden, onvoldoende onderzocht. Volgens eiser komt de onjuiste opvatting dat de bezoekersaantallen zijn afgenomen door het verbod op reclame-uitingen van de VvE van de projectontwikkelaar.

5.2 De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6.1.3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) volgt dat het bestuursorgaan in planschadezaken in beginsel verplicht is een adviseur aan te wijzen die een advies uitbrengt over de op het planschadeverzoek te nemen beslissing. Daarbij rust op het bestuursorgaan een vergewisplicht over de kwaliteiten van de aangewezen adviseur, te weten diens onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid. Verder volgt uit artikel 6.1.3.3, tweede lid, aanhef en onder d, van het Bro dat het bestuursorgaan zich in planschadezaken, voorafgaand aan de aanwijzing van een adviseur, ervan moet vergewissen of deze voldoet aan de aan een adviseur te stellen kwaliteitseisen. Wanneer de schijn is gewekt dat de door het bestuursorgaan benoemde adviseur niet onpartijdig is, mag het bestuursorgaan het advies van deze adviseur niet aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen.Indien een bestuursorgaan zich, ter onderbouwing van een besluit over een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade, beroept op een advies van een onafhankelijke deskundige, ligt het op de weg van dit bestuursorgaan zich te vergewissen van de onpartijdigheid van de geraadpleegde deskundige. Een aanvrager mag er in beginsel op vertrouwen dat een bestuursorgaan hieraan voldoet.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een schijn van partijdigheid van de adviseur. Het college heeft – met de motivering van 20 oktober 2023 in het besluit op het wrakingsverzoek – het wrakingsverzoek in redelijkheid mogen afwijzen. Eiser heeft pas op zitting meer informatie en inzicht gegeven over de grondslagen van zijn wrakingsverzoek. Echter heeft eiser destijds zijn wrakingsverzoek en de beroepsgrond in deze procedure niet met stukken onderbouwd. Op de zitting heeft het college (nogmaals) toegelicht dat het een lange geschiedenis heeft met deze adviseur en hij bewezen deskundig en onpartijdig is. Bovendien zijn andere verzoeken om planschade van de winkelpromenade op advies van de adviseur toegewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbrekende toelichting planschadeverzoek?

6.1 Eiser voert aan dat het college niet mocht afgaan op het advies van de bezwaarcommissie. Het advies is volgens eiser beïnvloed doordat de bezwaarcommissie niet over alle documenten beschikte. Zijn aanvullende toelichting op het planschadeverzoek van 26 december 2023 ontbrak in het dossier voor de bezwaarcommissie, aldus eiser.

6.2 De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet expliciet volgt of de aanvullende toelichting aan de bezwarencommissie is verstrekt. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij de aanvullende toelichting (in kleinere omvang) had nagezonden aan de bezwarencommissie en ook had meegenomen naar de hoorzitting. Verder volgt uit het rapport van de adviseur van 12 februari 2024 dat de adviseur de aanvullende toelichting heeft ontvangen en meegenomen in zijn advies. De aanvullende toelichting is als bijlage 1 aan het adviesrapport verbonden. Tussen partijen bestaat geen discussie dat de bezwarencommissie wel beschikte over het adviesrapport van 12 februari 2024. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college voorts nog toegelicht dat doorgaans ook de conceptversie van het rapport (met de toelichting van 26 december 2023) aan de bezwaarcommissie wordt verstrekt. Al met al is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat het advies van de bezwarencommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de bezwarencommissie onvolledig of onjuist zou zijn geïnformeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Causaal verband?

7.1.1 Eiser voert aan dat de door hem gestelde vermogensschade en verminderde gebruiksmogelijkheden van het pand in causaal verband staan met de omgevingsvergunning. Na het dichtbouwen van de doorsteken is het aantal klanten met 75% afgenomen. Specifiek voor het pand van eiser als voormalig hoekpand van een blok geldt dat veel ‘spontane’ klanten vanaf de parkeerplaats wegblijven, nu het directe zicht op de winkel is weggenomen. Ook staat volgens eiser vast dat hij de huurprijs van het pand – anticiperend op de gevolgen van de omgevingsvergunning – voor langere tijd naar beneden heeft vastgesteld. Op de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat zijn huurder recent de huurovereenkomst heeft opgezegd. Daarbij komt dat de gebruiksmogelijkheden van het pand door de omgevingsvergunning zijn beperkt. Zo zijn de mogelijkheden tot terrasbezonning of reclameborden in de doorsteek vervallen. Zonder de omgevingsvergunning voor het dichtbouwen van de doorsteken van de winkelpromenade, zou de winkelpromenade volgens eiser nog functioneren als voorheen.

7.1.2 Ter onderbouwing verwijst eiser naar de toelichting op het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1989-Eerste herziening /Sint Maartenszee 1995’. Hieruit volgt dat de doorloopbaarheid vanaf het parkeerterrein van groot belang is voor een goed functioneren van de winkels aan de noordzijde. Dit komt door de oriëntatie en geïsoleerde ligging van de bebouwing. Daarom zijn twee doorgangen van 12 meter breed voorgeschreven.
Eiser stelt verder dat het (mede) vergunde hotel en de recreatieappartementen lichte verbetering kunnen geven, maar inmiddels is bekend dat deze voorzieningen niet gerealiseerd gaan worden. De anterieure overeenkomst is opgebroken en de gronden komen terug in het bezit van de gemeente.
Verder voert eiser – in reactie op de onderbouwing in het bestreden besluit en het rapport van de adviseur – aan dat de gestelde schade niet het gevolg is van andere omstandigheden die spelen rondom de winkelpromenade. Eiser geeft aan dat het klopt dat de omgeving van de winkelpromenade geen optimale uitstraling heeft, maar deze situatie bestaat al vele jaren en kan de afname van klanten dus niet verklaren. Daarnaast is het volgens eiser onjuist dat de VvE debet is aan de onmogelijkheid om aan de zuidzijde, bij de parkeerplaats, reclame te maken voor de winkels.

7.2 De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor het toekennen van een tegemoetkoming in planschade een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de schade en het nieuwe planologische regime vereist is. Daarvoor is een noodzakelijke voorwaarde (condicio sine qua non) dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de planologische wijziging. De bestuursrechter moet het antwoord op de vraag of een oorzakelijk verband bestaat tussen de planologische wijziging en de gestelde schade zonder terughoudendheid toetsen.

7.3 Het college heeft – zoals wettelijk is voorgeschreven bij een planschadeprocedure – over onder meer de kwestie van het causaal verband advies ingewonnen van een deskundige. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht voor de wettelijk adviseur. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de deskundige een reactie op wat over het advies is aangevoerd.

7.4 De rechtbank overweegt dat de bezwarencommissie aan het college heeft aangegeven dat het zich er onvoldoende van heeft vergewist dat in het adviesrapport van de adviseur helder is opgeschreven waarom geen sprake is van een causaal verband. De bezwarencommissie achtte die conclusie wel juist. Het college heeft dit advies overgenomen en op dit punt in het bestreden besluit een aanvullende motivering gegeven: De gestelde schade staat volgens het college niet in rechtstreeks causaal verband tot de planologische wijziging. De afname van bezoekersaantallen en de gestelde waardevermindering van het pand zijn het gevolg van andere omstandigheden:
- gebruik van de parkeerplaatsen: hoofdzakelijk door strandbezoekers. De kortste route naar het strand loopt niet via de winkelpromenade. Dit patroon bestond al voor de planologische wijziging en is daar geen gevolg van. De winkel van aanvrager ligt bovendien nabij de oostzijde van het parkeerterrein, terwijl het strand aan de westkant ligt. Slechts als het parkeerterrein geheel vol staat is een beperkt aantal auto’s in de nabijheid van de winkel.
- bereikbaarheid parkeerterrein: dit is ongewijzigd gebleven.
- de winkelpromenade: vertoont structurele problemen die niet aan de planologische wijziging kunnen worden toegerekend:
* onverzorgde uitstraling
* beperkte reclame-uitingen: het besluit van de VvE om reclameborden te weren of beperken, draagt mogelijk bij aan de afname van de bezoekersaantallen.
* de gebruiksmogelijkheden van het onroerende goed zijn gelijk gebleken: naast dat het bestemmingsplan o.a. winkels toestaat is ook nog altijd kantoor toegestaan.
Dat de vergunde voorzieningen niet geheel worden gerealiseerd is een keuze van de betrokken ontwikkelaar of eigenaren en staat los van de planologische wijziging. Dit kan niet worden aangemerkt als schadeoorzaak die voortvloeit uit de planologische wijziging, aldus het college in het bestreden besluit.

7.5 Op de aanvrager rust in beginsel de bewijslast, indien hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent het bestaan van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, omtrent de omvang van deze schade, of omtrent het oorzakelijk verband tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische wijziging en de gestelde schade bestrijdt.

7.6 Eiser heeft zijn beroepsgrond dat – anders dan de op het advies van de adviseur gebaseerde conclusie van het college – wel sprake is van causaal verband enkel onderbouwd onder verwijzing naar de toelichting op het bestemmingsplan uit 1995 (toen is de winkelpromenade ontworpen). De rechtbank is van oordeel dat die toelichting zich in de eerste plaats niet laat kwalificeren als een deskundig tegenadvies, maar ook overigens onvoldoende aanleiding biedt voor het oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de omgevingsvergunning en de door eiser gestelde schade. De toelichting op het bestemmingsplan bevat een algemene toelichting uit 1996 op de opzet van de winkelpromenade. In die toelichting staat dat het ongewenst is om op maaiveld niveau over de gehele lengte van een gesloten bebouwing uit te gaan: doorloopbaarheid van het parkeerterrein is voor een goed functioneren van groot belang. Daarmee is echter niet onderbouwd dat (ruim 25 jaar later) de door eiser specifiek gestelde schade (daadwerkelijk) een rechtstreeks oorzakelijk verband heeft met de specifieke omgevingsvergunning. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, zoals over de omstandigheden op en rondom de winkelpromenade, voor en na de planologische wijziging, heeft hij niet met (objectieve) gegevens onderbouwd.

7.7 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en de omgevingsvergunning. De op een advies van een deskundige gebaseerde beoordeling van het college blijft daarom in stand. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8 Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn planschadeverzoek in stand blijft. Ook komt eiser daarom niet in aanmerking voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. drs. B. Veenman, leden, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken