Rb. Noord-Holland 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13682
Executiegeschil; zijn door moeder dwangsommen verbeurd i.h.k.v. (niet) nakomen tijdelijke zorgregeling door moeder? Overwegingen procesbevoegdheid eisende en gedaagde partij i.vm. bewind; artt 438 Rv, 611d Rv. Executie deel dwangsommen geschorst, deel niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/381917 / KG ZA 26-517
Vonnis in kort geding van 2 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.L. Prass,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.L. Vermeer.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 september 2026 met producties 0 tot en met 5
- de conclusie van antwoord met producties I tot en met V - productie 6 van de vrouw.
1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De man en zijn advocaat hebben via een videoverbinding vanaf het Paleis van Justitie in Arnhem aan de zitting deelgenomen.
1.3 Zowel de vrouw als de man hebben een bewindvoerder in verband met beschermingsbewind. Op verzoek van de voorzieningenrechter hebben partijen na afloop van de zitting e-mails overgelegd waaruit blijkt dat de betrokken bewindvoerders bekend zijn met deze procedure en de betrokken advocaten toestemming verlenen tot het voeren daarvan. Namens de vrouw is daarbij ook een beschikking van 19 mei 2026 overgelegd waarbij een opvolgend bewindvoerder is benoemd en de toenmalige bewindvoerder ontslag is verleend en een uittreksel uit het curatele- en bewindregister.
1.4 Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1 Partijen zijn gehuwd geweest.
2.2 Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2017 in [plaats 2] [minderjarige] (hierna: [minderjarige]).
2.3 Het huwelijk is op 14 april 2020 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 augustus 2019 in de registers van de burgerlijke stand.
2.4 Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige].
2.5 [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.6 De rechtbank heeft bij beschikking van 10 maart 2026, die is hersteld bij herstelbeschikking van 23 april 2026, de volgende tijdelijke zorgregeling vastgesteld:
“ De rechtbank
5.1 stelt, in afwachting van de resultaten van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming of een nadere beslissing van de rechtbank, de volgende tijdelijke zorgregeling vast:
-[minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag (na school) tot en met zondagavond (18:00 uur) bij de vader, waarbij de vader hem vrijdag van school haalt en de moeder hem zondag vóór het avondeten (18.00 uur) bij de vader ophaalt;
-ouders werken over en weer mee aan telefonisch contact tussen [minderjarige] en de andere ouder indien gewenst;”
2.7 De man heeft bij op 23 april 2026 betekende dagvaarding bij deze rechtbank een kort geding tegen de vrouw gestart waarin hij heeft gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld de tijdelijke zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom.
2.8 De vrouw heeft in die procedure een tegenvordering ingesteld. Die strekte ertoe dat de tijdelijke zorgregeling zou worden gewijzigd in die zin dat de omgang tussen de man en [minderjarige] voortaan uitsluitend onder professionele begeleiding plaatsvindt in de nabije omgeving van [plaats 1] en dat de man [minderjarige] op zondag voor het avondeten om 18.00 terugbrengt naar de vrouw.
2.9 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 juni 2026 de vordering van de vrouw afgewezen en de vordering van de man toegewezen, zij het met een lagere en gemaximeerde dwangsom dan gevorderd. De voorzieningenrechter heeft onder meer overwogen:
“5.5. De voorzieningenrechter overweegt dat de moeder na de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 uitdrukkelijk heeft ingestemd met een zorgregeling waarbij [minderjarige] om het weekend van vrijdag na school tot en met zondagavond 18.00 uur onbegeleid bij de vader verblijft. Kort daarna heeft de moeder de rechtbank schriftelijk laten weten terug te komen op de overeengekomen zorgregeling omdat zij zorgen heeft over de vader. De rechtbank heeft vervolgens nadat daarover uitgebreid met partijen op de zitting van 10 februari 2026 is gesproken en de rechtbank kennis heeft genomen van de zorgen van de moeder bij beschikking van 10 maart 2026 een weloverwogen beslissing gegeven over de tijdelijke zorgregeling. [minderjarige] heeft nu (opnieuw) geen omgang met zijn vader, dit terwijl [minderjarige] bij herhaling bij de kinderrechter heeft aangegeven dat hij zijn vader wil zien en dat hij zijn vader mist. De voorzieningenrechter overweegt dat de moeder onvoldoende heeft gesteld en met stukken onderbouwd dat zich na 10 maart 2026 omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat niet-nakoming van de zorgregeling gerechtvaardigd is. De zorgen die de moeder heeft aangevoerd over de omgang met de vader zijn eveneens aangevoerd in de bodemprocedure, waarop de rechtbank heeft besloten om dit te laten onderzoek door de Raad. Daarnaast heeft de rechtbank besloten dat er in afwachting van dit onderzoek een tijdelijke zorgregeling zal worden uitgevoerd. De omstandigheid dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt en het feit dat de moeder nu spijt heeft van haar instemming met de zorgregeling zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen dusdanige ernstige of bijzondere omstandigheden die maken dat niet-nakoming van de zorgregeling gerechtvaardigd is. Bovendien heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 verklaard dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] in het eerste weekend na de mondelinge behandeling goed is verlopen.
(…)
5.7 De voorzieningenrechter acht het noodzakelijk om aan de veroordeling van de moeder een dwangsom te verbinden, omdat de moeder herhaaldelijk en uitdrukkelijk heeft aangegeven de vastgestelde zorgregeling niet te zullen nakomen. De gevorderde dwangsommen zullen dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom wordt gematigd tot € 250 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder in gebreke blijft de tijdelijke zorgregeling na te komen, gemaximeerd tot een totaalbedrag van € 5.000.”
2.10 In de beslissing van het vonnis van 3 juni 2026 staat onder meer:
“6.1. veroordeelt de moeder tot nakoming van de bij beschikking van 10 maart 2026, welke is hersteld bij herstelbeschikking van 23 april 2026, vastgestelde zorgregeling;
6.2 veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 6.1. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van in totaal € 5.000 is bereikt;
6.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;”
2.11 Op 4 en 5 juni 2026 is via e-mail contact geweest tussen de advocaten van partijen over het nakomen van de tijdelijke zorgregeling. De advocaat van de vrouw heeft de advocaat van de man bericht dat de vrouw zich gelet op de opgelegde dwangsommen genoodzaakt ziet het vonnis na te komen, hoewel zij nog steeds zorgen heeft. Ook heeft de advocaat van de vrouw gemeld dat [minderjarige] sinds kort op voetbal zit en dat hij op zaterdagochtend om 09.30 uur op zijn voetbalclub moet zijn en doorgaans om 12.00 uur klaar is. De advocaat van de vrouw schrijft daarbij dat de man ervoor kan kiezen dit zelf te verzorgen (en dus [minderjarige] op zaterdag tijdig te brengen) of hem op zaterdag na het voetbal op te halen.
2.12 De man heeft het vonnis op 16 juni 2026 aan de vrouw laten betekenen.
2.13 De vrouw heeft op 22 juni 2026 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. In de hogerberoepsprocedure heeft zij een incident opgeworpen over de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis van 3 juni 2026. Op dit incident was ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding nog niet beslist.
2.14 Op 17 juli 2026 hebben de vrouw en de man de volgende e-mailwisseling met elkaar gehad:
[de vrouw aan de man]
“Goedemorgen [gedaagde],
Via [minderjarige] heb ik begrepen dat jij in [plaats 1] bent. Dit is zonder voorafgaand overleg gebeurd. Hierop heb ik contact opgenomen met mijn advocaat. Omdat het jouw weekend is en de scholen gesloten zijn, heb ik je vervolgens via de telefoon van [minderjarige] gebeld.
Tijdens dat gesprek heb jij duidelijk aangegeven niet met mij in overleg te willen gaan en heb je de verbinding tot twee keer toe verbroken.
Omdat overleg op deze manier niet mogelijk is, trek ik hierin de grens. Ik verzoek je om alle verdere communicatie en afspraken via onze advocaten te laten verlopen, zodat alles tijdig en duidelijk wordt vastgelegd.
Na de vakantie kan, indien nodig, in overleg met de nieuwe school worden bekeken of de school een passende locatie is voor het ophalen.
Daarnaast heeft [naam basisschool 1] [(oude) basisschool [minderjarige], voorzieningenrechter] aangegeven dat zij jouw gedrag en houding als onprettig hebben ervaren en dat zij niet willen dat overdrachten daar plaatsvinden, omdat dit voor onrust zorgt.
Met vriendelijke groet,
[eiser] ”
[de man aan de vrouw]
“Er is zeker overleg geweest de hele week al. Fijne dag gewenst beide”
[de vrouw aan de man]
“Excuus, maar via waar is er dan precies overlegt ?!
Hebben wij met elkaar gesproken? Of is dit in overleg gegaan met advocaten.. en wat is er dan precies afgesproken?
Bedankt insgelijks”
[de man aan de vrouw]
“Met jou en ons kind [minderjarige]. Je hoort je aan de regels te houden van wat de rechter heeft uitgesproken tot aan de hoger beroep. Ik ga jou via hier ook blokkeren
nogmaals fijne dag gewenst”
2.15 De advocaat van de man heeft de advocaat van de vrouw op die dag om 11:20 uur een e-mail gestuurd. Daarin staat voor zover relevant:
“Cliënt is momenteel in [plaats 1], maar uw cliënt weigert [minderjarige] mee te geven. Ik verzoek en zonodig sommeer uw cliënt om binnen het komende halfuur [minderjarige] alsnog aan cliënt over te dragen, bij gebreke waarvan aan de deurwaarder opdracht gegeven zal worden om de dwangsommen te incasseren.
Uw spoedige berichten wacht ik af.”
2.16 Op 30 juli 2026 heeft de advocaat van de man de advocaat van de vrouw een e-mail gestuurd waarin onder meer staat:
“Aankomend weekend zal er weer omgang plaatsvinden. Ik verzoek u mij daarom te bevestigen dat uw cliënte dit keer wel haar medewerking zal geven aan de overdracht van [minderjarige] aan mijn cliënt. Cliënt zal hem komen halen bij zijn school in [plaats 1].
Ter info: De dwangsommen van de vorige keren zullen worden geïncasseerd via de deurwaarder.
Uw berichten wacht ik af.”
2.17 De advocaat van de vrouw heeft de advocaat van de man die dag onder meer geantwoord:
“Cliënte heeft zich steeds bereid getoond haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de omgangsregeling. Het probleem is echter dat uw cliënt structureel weigert met cliënte te communiceren over de praktische uitvoering daarvan. In plaats daarvan communiceert hij uitsluitend met [minderjarige]. Dat is niet alleen onwenselijk, maar legt ook een onaanvaardbare verantwoordelijkheid bij een minderjarige. [minderjarige] wordt hierdoor telkens tussen zijn ouders geplaatst, hetgeen hem zichtbaar belast.
Ook in deze kwestie heeft uw cliënt nagelaten rechtstreeks met cliënte afstemming te zoeken over de praktische uitvoering van de omgang. In plaats daarvan wordt de communicatie telkens kort voor een omgangsmoment via de advocaten gevoerd. Een dergelijke werkwijze is niet bevorderlijk voor een goede uitvoering van de omgangsregeling. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij, in het belang van [minderjarige], met elkaar communiceren over de praktische invulling van de omgang.
Cliënte betwist dan ook dat zij haar medewerking aan de omgang heeft geweigerd en is van mening dat een eventuele aanspraak op verbeurde dwangsommen iedere grondslag mist. Indien uw cliënt besluit tot executie over te gaan, behoudt cliënte zich nadrukkelijk alle rechten en weren voor.
Juist vanwege de voortdurende communicatieproblemen heeft cliënte eerder voorgesteld de omgang onder begeleiding te laten plaatsvinden. Dat voorstel was erop gericht de spanningen tussen partijen te verminderen en [minderjarige] buiten het conflict te houden. Uw cliënt heeft hieraan geen medewerking verleend.
Gelet op het voorgaande en nu uw cliënt wederom heeft nagelaten tijdig en rechtstreeks met cliënte afstemming te zoeken over de praktische uitvoering van de omgang, ziet cliënte zich genoodzaakt mee te delen dat zij [minderjarige] morgen niet zal meegeven aan uw cliënt.
Dit besluit is niet lichtvaardig genomen. Cliënte acht het, mede in het belang van [minderjarige], onverantwoord de omgang onder deze omstandigheden doorgang te laten vinden. Door iedere vorm van rechtstreeks overleg met cliënte achterwege te laten en [minderjarige] als tussenpersoon te gebruiken, heeft uw cliënt zelf een situatie gecreëerd waarin een zorgvuldige uitvoering van de omgang niet mogelijk is. De gevolgen daarvan kunnen niet uitsluitend voor rekening en risico van cliënte worden gebracht.
Ik verzoek u de inhoud van deze e-mail aan uw cliënt door te geven.”
2.18 Op 12 augustus 2026 heeft de man de vrouw het volgende WhatsApp-bericht gestuurd:
“Hallo [eiser], zou ik [minderjarige] deze week op kunnen halen ? En als het kan wil je dan laten weten waar ik [minderjarige] kan ophalen?”
2.19 Op dinsdag 25 augustus 2026 heeft de man de vrouw het volgende WhatsApp-bericht gestuurd:
“Hallo [eiser], kan ik aankomende vrijdag [minderjarige] ophalen ?”
2.20 De vrouw heeft daarop geantwoord:
“Goedemiddag [gedaagde],
Ik wens geen rechtstreeks contact meer met jou. Jij hebt zelf meerdere keren aangegeven dat je geen contact met mij wilt.
Ik houd mij daar nu ook strikt aan. Het is daarom aan jezelf te verwijten dat ik geen contact meer wens te onderhouden.
Ik sta er niet meer voor open om rechtstreeks contact te hebben of dingen met jou te bespreken. Mocht er omgang geregeld worden, dan kan dit uitsluitend via mijn begeleiding, [betrokkene]. Hij heeft meerdere keren geprobeerd contact met jou op te nemen.
Dit gaat vanaf nu niet meer via mij en ook niet via mijn advocaat. Ik heb dit volledig uit handen gegeven.
Ik wens je verder het beste..”
2.21 De man heeft daarop gereageerd met de woorden:
“Ik jou ook je moet je aan de uitspraak houden. Ik u ook mevrouw [eiser]”
2.22 Bij exploot van 4 september 2026 is de vrouw onder meer aangezegd dat zij op 17, 18 en 19 juli 2026, op 31 juli, 1 en 2 augustus en op 14, 15 en 16 augustus 2026 de tijdelijke zorgregeling niet is nagekomen en op grond van het vonnis van 3 juni 2026 dwangsommen heeft verbeurd en is de vrouw bevel gedaan € 2.250,00 aan verbeurde dwangsommen te betalen en € 166,50 aan explootkosten, in totaal € 2.416,50.
2.23 De vrouw heeft niet betaald.
3 Het geschil
3.1 De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
primair
- de man beveelt de executie van de bij exploot van 4 september 2026 aangezegde en opgeëiste dwangsommen ten bedrage van € 2.416,50 onmiddellijk te staken en gestaakt te houden;
subsidiair
- de aangezegde en opgeëiste dwangsommen aanzienlijk vermindert;
in alle gevallen met veroordeling van de man in de kosten van de procedure, inclusief nakosten, en (voorwaardelijk) te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2 De vrouw legt aan haar vorderingen – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag. Er zijn geen dwangsommen verbeurd. Op grond van de tijdelijke zorgregeling haalt de man [minderjarige] op vrijdag na school op. De door de man genoemde data vielen echter in de zomervakantie, zodat dit overdrachtsmoment feitelijk niet op deze wijze bestond, omdat de school van [minderjarige] was gesloten. De door de rechtbank vastgestelde tijdelijke zorgregeling voorziet niet in een alternatief overdrachtsmoment voor de dagen waarop [minderjarige] niet naar school hoeft. De man en de vrouw moesten hierover dus tot nadere afstemming komen en de man heeft dat ondanks herhaalde pogingen van de vrouw en betrokken hulpverlening geweigerd. Onder die omstandigheid is geen sprake van niet nakomen van de zorgregeling door de vrouw. Voor zover de vrouw wel dwangsommen heeft verbeurd, maakt de man volgens de vrouw misbruik van bevoegdheid door tot executie over te gaan als bedoeld in artikel 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW). Het niet meewerken aan de noodzakelijke afstemming over de uitvoering van de tijdelijke zorgregeling en het vervolgens wel opeisen van dwangsommen verhoudt zich namelijk niet met de strekking van de dwangsom (nakoming van de tijdelijke zorgregeling). Deze situatie duurt bovendien voort, omdat [minderjarige] niet meer naar zijn oude basisschool gaat. Hij zal op korte termijn starten bij [naam basisschool 2], een basisschool voor speciaal onderwijs, maar zijn plaatsing is nog niet definitief. Zonder nadere afspraken tussen partijen kan aan de tijdelijke zorgregeling geen uitvoering worden gegeven. De man weigert nog altijd hierover met de vrouw in overleg te treden en houdt daarmee deze situatie mede in stand. Dwangsommen kunnen op deze manier voor onbepaalde tijd blijven oplopen.
3.3 De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente en de nakosten.
3.4 Op de stellingen van partijen gaat de voorzieningenrechter hierna, voor zover van belang, nader in.
4 De beoordeling
Beschermingsbewind
4.1 Zowel het vermogen van de vrouw als dat van de man is onder bewind gesteld. Bewindvoerder van de vrouw is ZEKER Financiële Zorgverlening B.V. Bewindvoerder van de man is Stichting Bebon.
4.2 De kantonrechter kan een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren (artikel 1:431 BW). Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder (artikel 1:438 BW). Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW).
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan de zijde van vrouw geen sprake van een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed. Zij vordert staking van de executie van dwangsommen verbonden aan het niet-nakomen van de tijdelijke zorgregeling. Dat is een rechtsverhouding van hoogst persoonlijke en familierechtelijke aard. Dat het verbeuren van dwangsommen het vermogen van de vrouw kan raken, maakt dit niet anders. De vrouw kan dus zelfstandig, zonder tussenkomst van haar bewindvoerder, in rechte verschijnen en haar vordering instellen. Hetzelfde geldt voor man. Het (kunnen) innen van volgens de man door de vrouw verbeurde dwangsommen kan weliswaar gevolgen hebben voor zijn vermogen, maar de dwangsom uit het vonnis van 3 juni 2026 is niet bedoeld als vorm van schadevergoeding, maar als financiële prikkel voor de vrouw om de tijdelijke zorgregeling na te komen. De vrouw is in zoverre ontvankelijk in haar vorderingen en de bewindvoerder van de man hoeft het geding niet als formele procespartij over te nemen. Overigens is uit de door partijen verstrekte stukken gebleken dat beide bewindvoerders met deze procedure bekend zijn en met het voeren daarvan hebben ingestemd.
Spoedeisend belang
4.3 Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde en is door de man ook niet weersproken.
Juridisch kader executiegeschil over verbeuren dwangsommen
4.4 In dit executiegeschil is allereerst aan de orde of de vrouw de door de man aangezegde dwangsommen heeft verbeurd. De voorzieningenrechter moet beoordelen of aan de door de rechter uitgesproken veroordeling waaraan een dwangsom als sanctie is verbonden, is voldaan. Daarbij geldt dat de voorzieningenrechter niet tot taak heeft de door de eerdere (in dit geval voorzieningen)rechter beoordeelde rechtsverhouding opnieuw te beoordelen. Wanneer sprake is van een veroordeling om iets te doen, zullen voor het beantwoorden van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, de handelingen die zijn verricht ter uitvoering van het veroordelend vonnis moeten worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling. Die inhoud moet door uitleg worden vastgesteld. Daarbij moet de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan nodig tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De rechter mag bij zijn uitleg van de veroordeling de maatstaven van redelijkheid en billijkheid hanteren.
Voor bewijslevering is in kort geding geen plaats. Voldoende is dat feiten aannemelijk zijn (gemaakt). Stelplicht en bewijslast dat dwangsommen zijn verbeurd, rusten in de executiefase op de executant, in dit geval de man.
De strekking van de tijdelijke zorgregeling en het vonnis van 3 juni 2026
4.5 De strekking van de tijdelijke zorgregeling is dat [minderjarige] om de week (ongeveer) een weekend bij de man verblijft, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag ‘na school’ in [plaats 1] ophaalt en de vrouw hem op zondag om 18.00 weer bij de man, in [plaats 2], ophaalt. De strekking en het achterliggende belang is dat [minderjarige] omgang heeft met zijn vader. Van een begeleide overdracht is geen sprake. De strekking van de veroordeling in het vonnis van 3 juni 2026 is dat de vrouw haar noodzakelijke medewerking verleent aan de nakoming van de tijdelijke zorgregeling.
4.6 De tijdelijke zorgregeling voorziet niet in een regeling voor de dagen dat [minderjarige] geen school heeft, echter in de tijdelijke zorgregeling ligt wel besloten dat de vrouw ervoor zorgt dat de man [minderjarige] op de vrijdagen waarvoor de tijdelijke zorgregeling geldt in [plaats 1] kan ophalen. Of dat bij het schoolgebouw van de (voormalige) basisschool van [minderjarige] is, of bij de vrouw thuis (zoals zij op de mondelinge behandeling heeft toegelicht) of op een andere geschikte locatie in [plaats 1], maakt voor de strekking van de tijdelijke zorgregeling niet uit. De vrouw en de man zullen met elkaar moeten communiceren waar en hoe laat de man [minderjarige] kan ophalen. Een en ander komt op het volgende neer: de vrouw voldoet aan het vonnis tot nakoming van de tijdelijke zorgregeling als zij ervoor zorgt dat zij de man meedeelt waar en wanneer hij [minderjarige] op de vrijdagen waarvoor de tijdelijke zorgregeling geldt kan ophalen en zij met [minderjarige] op de bewuste dag op het doorgegeven tijdstip op de doorgegeven locatie aanwezig is, zodat zij [minderjarige] aan de man kan overdragen. Daarbij ligt het voor de hand dat voor zover de man en de vrouw géén overeenstemming kunnen bereiken over een eerder tijdstip, de overdracht niet eerder zal zijn dan op het tijdstip dat de (voormalige) basisschool van [minderjarige] op vrijdag uitgaat.
Het weekend van 17-19 juli 2026
4.7 Voor het weekend van 17-19 juli 2026 is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw voldoende heeft gedaan om de man die dag in staat te stellen [minderjarige] in [plaats 1] op te halen. De man heeft op zijn beurt onvoldoende aannemelijk weten te maken dat hij de vrouw op adequate wijze heeft benaderd om de overdracht te bespreken. De man heeft niet weersproken dat hij die dag wel telefonisch contact heeft gezocht met [minderjarige]. De man heeft verder niet weersproken dat hij twee keer de verbinding heeft verbroken toen de vrouw hem met de telefoon van [minderjarige] belde. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder deze omstandigheden van een niet nakomen van de zorgregeling door de vrouw geen sprake is. De voorzieningenrechter zal de man daarom bevelen de executie van die dwangsommen (3 x € 250,00) te staken en gestaakt te houden. Het bericht van de advocaat van de man van 17 juli 2026 om 11.20 uur maakt dit oordeel niet anders. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij dit bericht niet tijdig had gezien, zodat het bericht de vrouw ook niet kan hebben bereikt.
4.8 De voorzieningenrechter zal de primaire vordering van de vrouw dus toewijzen voor zover deze ziet op het weekend van 17-19 juli 2026.
De weekenden van 31 juli-2 augustus en 14-16 augustus 2026
4.9 Het bovenstaande geldt niet voor de twee weekenden van 31 juli tot en met 2 augustus 2026 en 14 tot en met 16 augustus 2026. Voor deze weekenden is de voorzieningenrechter van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de vrouw onvoldoende heeft gedaan om de man op de betreffende vrijdagen in staat te stellen [minderjarige] in [plaats 1] op te halen. Anders dan voor het weekend van 17-19 juli 2026 geldt voor deze beide weekenden dat de man of zijn advocaat de vrouw vóór de dag van overdracht heeft benaderd om de overdracht te bespreken en dat de vrouw daarop niet is ingegaan. De man heeft op 30 juli 2026 via zijn advocaat en op 12 augustus 2026 rechtstreeks laten weten dat hij [minderjarige] voor die weekenden in [plaats 1] wilde ophalen. Op het bericht van 30 juli 2026 heeft de advocaat van de vrouw bericht dat de vrouw [minderjarige] de volgende dag niet zou meegeven. Als reden hiervoor geeft de advocaat van de vrouw dat de man niet tijdig en rechtsreeks afstemming zoekt met de vrouw. In haar bericht van 17 juli 2026 had de vrouw de man evenwel verzocht alle verdere communicatie en afspraken via de advocaten te laten verlopen. Op het bericht van 25 augustus 2026 heeft de vrouw geantwoord dat zij uitsluitend via de begeleiding, [betrokkene], contact wil over de uitvoering van de tijdelijke zorgregeling en dat zij geen rechtsreeks contact wil met de man noch contact via de advocaten. Gelet op deze gang van zaken kan niet worden gezegd dat het aan de man lag dat er geen afstemming plaatsvond over de uitvoering van de tijdelijke zorgregeling. Voor zover de vrouw zich er in dit verband op beroept dat de man eerder niet wilde communiceren, is aannemelijk dat de man dat kennelijk nu weer wel wilde. De vrouw heeft niet weersproken dat ze de betreffende berichten heeft ontvangen. Zij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat zij niet op deze berichten van de man hoefde in te gaan.
4.10 Van misbruik van recht door de man is geen sprake. Voor zover de vrouw heeft willen betogen dat de man deze berichten enkel heeft gestuurd om dwangsommen te kunnen incasseren, heeft de vrouw dat niet voldoende aannemelijk weten te maken.
4.11 De voorzieningenrechter zal de primaire vorderingen van de vrouw afwijzen voor zover deze zien op de weekenden van 31 juli-2 augustus en 14-16 augustus 2026.
4.12 De voorzieningenrechter zal ook de subsidiaire vordering afwijzen. De voorzieningenrechter begrijpt deze vordering aldus dat de vrouw een beroep doet op vermindering van de dwangsom op grond een onmogelijkheid om na te komen op grond van artikel 611d Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De voorzieningenrechter acht zich bevoegd ook deze vordering te beoordelen omdat zij behalve executierechter ook dwangsomrechter is in deze zaak. Zoals uit het bovenstaande blijkt, is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest (of zal zijn) van een onmogelijkheid voor de vrouw om de tijdelijke zorgregeling na te komen. De vrouw heeft er wegens problemen in de communicatie tussen partijen bewust voor gekozen geen verdere medewerking te verlenen aan de uitvoering van de tijdelijke zorgregeling. Dat er tussen partijen problemen in de communicatie zijn is in dit kort geding en ook ter zitting duidelijk geworden. Deze problemen maken evenwel niet dat nakoming van de tijdelijke zorgregeling onmogelijk is en dat de opgelegde dwangsom zijn zin als prikkel tot nakoming verliest.
Proceskosten
4.13 Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Ten overvloede
4.14 [minderjarige] zit sinds enige tijd op voetbal. Op zaterdagochtend heeft hij wedstrijden of doet hij mee aan andere door de voetbalclub georganiseerde activiteiten. De man heeft tijdens de zitting laten weten dat ook hij het in het belang van [minderjarige] vindt dat [minderjarige] op zaterdag in [plaats 1] kan deelnemen aan de door de voetbalclub georganiseerde activiteiten. De man woont in [plaats 2] en de vrouw in [plaats 1]. De man mag bovendien niet autorijden. Het kan voor de man en [minderjarige] behoorlijk belastend zijn als de man [minderjarige] op vrijdagmiddag ophaalt en hem zaterdagochtend al weer vroeg naar [plaats 1] moet brengen om op tijd bij voetbal te zijn om daarna weer naar [plaats 2] te gaan. De vrouw heeft voorgesteld dat de man op zaterdag naar de wedstrijden komt en [minderjarige] dan na afloop meeneemt. De man heeft erop gewezen dat hij dan wel een fors deel van zijn tijd met [minderjarige] misloopt. Dat is zo. Hiervoor zou een oplossing gevonden kunnen worden, die ertoe leidt dat de man de gemiste tijd met [minderjarige] op een ander moment kan inhalen. Ter zitting is het niet gelukt hierover tot concrete afspraken te komen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1 beveelt de man de executie van de bij exploot van 4 september 2026 aangezegde en opgeëiste dwangsommen onmiddellijk te staken en gestaakt te houden voor zover het gaat om de aangezegde dwangsommen voor het weekend van 17, 18 en 19 juli 2026,
5.2 compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3 verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.4 wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
1998