Rb. Noord-Holland 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13680

Wkkgz. Aanwijzing. Voorlopige voorziening. Onderdeel 1 van de aanwijzing houdt in dat verzoeksters binnen drie maanden de behandeling van patiënten met het ongeregistreerde geneesmiddel dan wel enig ander lidocaïnebevattend niet-geregistreerd geneesmiddel staken, tenzij zij de behandeling voortzetten binnen een klinische proef die voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Vast staat dat er op dit moment geen wetenschappelijke basis is voor de betreffende behandeling met het ongeregistreerde geneesmiddel, terwijl het verzoeksters onder voorwaarden is toegestaan hun patiënten met het geregistreerde geneesmiddel of een ander lidocaïnebevattend geregistreerd geneesmiddel te behandelen, welk alternatief door de minister ook is genoemd en door verzoeksters is niet onderbouwd waarom deze alternatieven voor elk van de individuele patiënten niet adequaat is en bovendien is niet gebleken dat verzoeksters vaart zetten achter het opzetten van een klinische proef, of anderszins activiteiten ontplooien om wetenschappelijk basis voor de behandeling te verkrijgen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de minister bestaande uit de veiligheid voor de volksgezondheid bij handhaving van het besluit, meer in het bijzonder het houden van toezicht op de naleving van de Wkkgz en daarmee goede zorg en de patiëntveiligheid, in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoeksters en de betrokken patiënten bij een schorsing van het besluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen