Rb. Noord-Holland 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12874

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de dwangsom heeft mogen invorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/242
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn
(gemachtigde: C.C.M. Gorter-Haring).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de invordering van een dwangsom. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiser stelt dat er geen sprake is van een overtreding en dat hij geen overtreder is. Daarnaast stelt hij dat de invordering van de dwangsom onevenredig is. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de invordering van de dwangsom.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de dwangsom heeft mogen invorderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Met het bestreden besluit van 10 december 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de invordering van de dwangsom gebleven.

2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2 De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3 Op 14 december 2022 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij een woning heeft gerealiseerd op een verdieping van het bedrijfspand zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en deze woning ook als zodanig wordt gebruikt. Omdat het college meerdere overtredingen heeft geconstateerd, heeft het besloten voor elke overtreding (4) een last onder dwangsom op te leggen. Eiser kon aan deze last voldoen door uiterlijk drie maanden na verzending van het besluit het bed in de slaapkamer te verwijderen uit het bedrijfspand en verwijderd te houden. Voldeed eiser hier niet aan, of niet tijdig, zou hij een dwangsom van € 10.000,- verbeuren per constatering dat de overtreding voortduurt, met een maximaal te verbeuren bedrag van € 60.000,-. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3.1 Bij besluit van 28 februari 2023 heeft het college de last onder dwangsom op twee punten herroepen en voor het overige in stand gelaten, maar ten aanzien van de douche- en kookgelegenheid wel aangepast.

3.2 Naar aanleiding van een controle door een toezichthouder op 23 januari 2025 heeft het college aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn de dwangsom in te vorderen en hem in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Eiser heeft hiervan gebruik gemaakt.

3.3 Op 3 juli 2025 heeft [naam 1] , werkzaam bij [naam makelaardij] , namens eiser verzocht om opheffing van de last, omdat dat de enige manier was om de verkoop van het bedrijfspand mogelijk te maken. Op 25 september 2025 heeft het college de last opgeheven.

3.4 Met het besluit van 30 september 2025 heeft het college de dwangsom ingevorderd, omdat bij de controle op 23 januari 2025 is geconstateerd dat de overtreding niet is gestaakt, of niet gestaakt is gehouden. Eiser heeft daarmee de dwangsom verbeurd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3.5 Op 30 september 2025 heeft het college tevens de invorderingsmaatregelen opgeschort tot zes weken na het besluit op bezwaar.

3.6 Met het bestreden besluit van 10 december 2025 heeft het college het besluit van 30 september 2025 in stand gelaten. Tijdens de controle van 23 januari 2025 is geconstateerd dat het bed niet verwijderd was of verwijderd was gehouden, zoals onder meer blijkt uit de foto’s uit het rapport. Eiser heeft dit niet weersproken. Hiermee is vastgesteld dat sprake is van een overtreding van de last onder dwangsom. Eiser is eigenaar van het pand. Hij is daarmee rechtstreeks als overtreder aan te merken. Als eigenaar heeft eiser beschikkingsmacht om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Van hem mag worden verwacht dat hij zich informeert over het gebruik van zijn pand en actief toezicht houdt op naleving van geldende regelgeving. Eiser heeft geen toezicht gehouden of laten houden. Hij heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs in zijn vermogen lag om naleving van de last te verzekeren. Op het moment dat de last onder dwangsom werd ingetrokken was de controle al geweest en het voornemen al aan eiser bekendgemaakt. De invorderingsprocedure was dus al opgestart en is niet onevenredig. Er zijn verder geen andere omstandigheden aangedragen die de invordering onevenredig maken. Tot slot stelt het college dat aan de toezegging, dat indien het pand verkocht wordt aan een gerenommeerde partij de last zal worden opgeheven op het moment dat de koopovereenkomst is getekend, is voldaan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd om (gedeeltelijk) van invordering af te zien.
Beoordelingskader
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt – voor zover hier van belang – dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
Heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat de last is overtreden?
5. Eiser betoogt dat hij de last onder dwangsom volledig is nagekomen. Na de beslissing op bezwaar inzake de last onder dwangsom is alles wat verwijderd diende te worden verwijderd. Het keukenblok mocht na overleg met het college blijven staan, maar de douche en slaapkamerelementen zijn verwijderd. Ook is de huurovereenkomst met de vorige huurder ontbonden. De verhuur van het pand aan de nieuwe huurder is verlopen via de makelaar. De foto’s die tijdens de controle zijn gemaakt leveren geen reden op om bewoning aan te nemen. De nieuwe huurder heeft aangegeven niet in het pand te wonen. Het bed dat door hem is geplaatst dient als rustplek voor wanneer hij in de nacht aan het werk is. Uitgaande van wel een aangetroffen bed dan is geen sprake van een slaapkamer dan wel woonbestemming in het pand. Er is daarom geen sprake van een overtreding en er wordt ten onrechte een dwangsom verbeurd.

5.1 De rechtbank is van oordeel dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat de last is overtreden. Hoewel het controlerapport niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt en daardoor minder bewijskracht heeft, betekent dat niet dat het zonder betekenis is. In het controlerapport staat dat de toezichthouder op de eerste verdieping van het bedrijfspand meubilair, waaronder een beslapen bed, diverse persoonlijke verzorgingsmiddelen en handdoeken heeft aangetroffen. Vervolgens is het aan eiser om dit te ontkrachten. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser moest de overtreding staken en gestaakt houden. Door het, al dan niet nieuw, bed te plaatsen in combinatie met de andere aangetroffen meubels en middelen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de overtreding gestaakt is gehouden. Dat de nieuwe huurder een woning heeft op 200 meter afstand van het bedrijfspand maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat eiser overtreder is?
6. Eiser betoogt daarnaast dat hij geen overtreder is. Hij heeft alles verwijderd uit het pand. Hij heeft noch macht gehad om te bepalen of de overtreding zou plaatsvinden noch deze gedragingen aanvaard. Hij voldoet daarmee niet aan de criteria voor functioneel daderschap.

6.1 In wat eiser heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het evident is dat eiser niet als overtreder is aan te merken. De rechtbank betrekt daarbij dat ook een ander dan degene die de verboden gedraging fysiek heeft verricht als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt. Eiser heeft destijds als toenmalige eigenaar van het pand de macht gehad om de overtreding te voorkomen. Op zitting heeft eiser aangegeven dat hij het pand heeft gecontroleerd. Dit is echter niet nader onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Eiser heeft daarmee ook voldaan aan de criteria voor het functioneel daderschap.
Is het invorderen van de dwangsom door het college onevenredig?
7. Eiser betoogt dat het invorderen van de dwangsom onevenredig is. Volgens de conclusie van advocaat-generaal [naam 2] van 4 april 2018 moet een bestuursorgaan gelet op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 17 en 51, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 1, Protocol I van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) rekening houden met alle relevante omstandigheden, waaronder ook de financiële positie van de belanghebbende en de samenloop van herstelsanctie(s). Dit geldt ook voor de invordering van een last onder dwangsom. In dit verband dient te gelden dat er een toezegging is gedaan aan eiser, althans zijn makelaar, dat indien het pand wordt verkocht aan een gerenommeerde partij, de last zal worden opgeheven op het moment dat de koopovereenkomst is getekend. Dat impliceert dat het college niet (langer) een belang heeft bij handhaving van de last na herstel van de openbare orde betrekking hebbende op de Omgevingswet. Het pand is inmiddels verkocht en de last onder dwangsom is opgeheven.

7.1 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

7.2 De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat die er niet zijn. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat in deze situatie geen sprake is van samenloop van herstelsancties. Het gaat hier om de invordering van een eerder opgelegde herstelsanctie. Niet in geschil is verder dat een toezegging is gedaan en de last vóór het besluit van 30 september 2025 is opgeheven. Echter, zoals het college terecht stelt, was op 23 januari 2025 al geconstateerd dat de last was overtreden en dat de dwangsom op dat moment is verbeurd. Dat het college geen belang meer zou hebben bij handhaving is niet te volgen. Immers, in gevallen waar de last is opgeheven, maar een dwangsom wel al is verbeurd kan, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, nog wel worden ingevorderd. Van zeer bijzondere omstandigheden is geen sprake. Tot slot vindt de rechtbank dat eiser zijn financiële positie niet heeft onderbouwd. Hij heeft niet concreet gemaakt waarom hij de dwangsom niet zou kunnen betalen, mede gelet op het feit dat het bedrijfspand inmiddels is verkocht. Van andere bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

8 Het beroep is ongegrond. Het college mocht de dwangsom invorderen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.

griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken