Rb. Noord-Holland 8 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12049
In deze procedure vorderen eisers terugbetaling van drie geldleningen. De rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe. Er is onvoldoende gebleken dat partijen de geldleningen hebben bedoeld als voorschot op de door gedaagde verwachte winstuitkering uit de gezamenlijke onderneming van partijen. Daarom is het opeisen van de geldleningen voordat die winstuitkering heeft plaatsgevonden, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het verrekenverweer slaagt niet, omdat de tegenvordering tot betaling van de winstuitkering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 86 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:136 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 3:12 BW3
- Artikel 3:307 BW3