Rb. Noord-Holland 29 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:10174
Luchtvaart; De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging zo veel als mogelijk te beperken. Dit beroep slaagt. De vorderingen van de passagiers worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11800987 \ CV EXPL 25-4709
Uitspraakdatum: 29 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1], wonende te [plaats 1]
2. [eiser 2]wonende te [plaats 2]
3. [eiser 3]wonende te [plaats 3]
4. [eiser 4]wonende te [plaats 2]
5. [eiser 5]
6. [eiser 6]
beiden wonende te [plaats 1]
7. [eiser 7], wonende te [plaats 3]
8. [eiser 8], wonende te [plaats 1]
9. [eiser 9]
10. [eiser 10]
beiden wonende te [plaats 4]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. G.I. Niesert (LVH Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit beroep slaagt. Daarnaast heeft de vervoerder voldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging zo veel als mogelijk te beperken. Daarom worden de vorderingen van de passagiers afgewezen.
1 Het procesverloop
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, tevens wijziging en vermindering van eis;
- de conclusie van dupliek.
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1 De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 29 januari 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Tromso Airport (Noorwegen), met vlucht HV5071 (hierna: de vlucht).
2.2 De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3 De passagiers hebben daarom compensatie en terugbetaling van ticketprijzen gevorderd.
2.4 De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
3.1 De passagiers vorderen – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 3.048,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 555,00, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.
3.2 De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Zij stellen dat de vervoerder passagiers sub 1, sub 2, sub 3, sub 4, sub 7 en sub 8 vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening). Daarnaast stellen zij dat passagiers sub 5, sub 6, sub 9 en sub 10 hebben afgezien van de vlucht en de vervoerder hen daarom de ticketprijzen van de vlucht moet terugbetalen (artikel 8 van de Verordening).
3.3 De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling ingegaan.
4 De beoordeling
4.1 De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2 De vervoerder betwist dat passagiers sub 5, sub 6, sub 9 en sub 10 zich tijdig hebben gemeld bij de incheckbalie. Hij voert aan dat zij daarom als ‘no-show’ zijn geregistreerd. De Verordening is daarom op hen niet van toepassing, aldus de vervoerder. De passagiers hebben dit niet weersproken.
4.3 Het betoog van de vervoerder slaagt. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vervoerder hebben de passagiers onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat passagiers sub 5, sub 6, sub 9 en sub 10 zich tijdig bij de gate hebben gemeld. De Verordening is dan ook niet op hen van toepassing (artikel 3 lid 1 sub a jo artikel 3 lid 2 sub a van de Verordening). De vordering tot terugbetaling van de ticketkosten wordt daarom afgewezen.
4.4 Vast staat dat de overige passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.5 De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan, namelijk slechte weeromstandigheden en latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. De passagiers hebben niet weersproken dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, zodat dit vast staat.
4.6 Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken.
De vervoerder stelt in dit verband dat het vertragen van de vlucht de beste optie was. Alle andere vluchten richting Tromso Airport zouden ook last hebben gehad van de slechte weersomstandigheden. Hij kon de passagiers dus niet omboeken naar een alternatieve vlucht van hemzelf of een andere vervoerder. Door de vlucht te vertragen en niet te annuleren heeft hij de hinder zoveel mogelijk geprobeerd te beperken.
4.7 De passagiers betwisten dat de vervoerder hen bijstand heeft geboden. Hen is immers geen terugbetaling aangeboden. De passagiers hebben erkend dat zij een e-mail van de vervoerder hebben ontvangen. In deze e-mail had hen eenvoudig een mogelijkheid tot terugbetaling kunnen worden aangeboden, aldus de passagiers. De vervoerder brengt hier tegenin dat hij de passagiers door middel van deze e-mail heeft geïnformeerd over hun rechten en mogelijkheden tot restitutie. In de e-mail stond immers een link waarop de passagiers hadden kunnen klikken. Als de passagiers dit hadden gedaan hadden zij een overzicht met informatie over restitutiemogelijkheden en alternatieve vluchten gezien, aldus de vervoerder.
4.8 Het Hof heeft geoordeeld dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als een passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt. Het is aan de vervoerder om in een dergelijk geval voldoende aannemelijk te maken dat er geen enkele andere mogelijkheid voor een alternatieve vlucht bestond die op een minder laat tijdstip aankwam. Als onbetwist staat vast dat de passagiers in ieder geval 24 uur later dan oorspronkelijk gepland op de overeengekomen eindbestemming zijn aangekomen. Als onbetwist staat echter ook vast dat er geen andere mogelijkheid bestond voor een alternatieve vlucht die eerder aankwam. Daarnaast heeft de vervoerder voldoende onderbouwd dat de passagiers een e-mail is gestuurd waarmee zij alternatieve vluchten en restitutiemogelijkheden hadden kunnen inzien. De passagiers hebben niet betwist dat zij deze e-mail hebben gekregen. De vervoerder heeft dan ook voldaan aan zijn bijstandsplicht. Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken.
4.9 Ook de aanvullende grondslag die de passagiers bij repliek aan hun vorderingen hebben toegevoegd, kan op grond van het voorgaande niet slagen. Deze grondslag is immers eveneens gebaseerd op het betoog dat de vervoerder hen niet de keuze zou hebben geboden tussen omboeking of terugbetaling.
4.10 Bovendien baseren zij deze vordering op een arrest waarin het Hof heeft geoordeeld dat een passagier van een geannuleerde vlucht zich, om compensatie te verkrijgen, kan beroepen op de niet-nakoming door de luchtvaartmaatschappij van onder meer haar verplichting om bijstand te bieden, waaronder ook haar plicht valt om informatie te verstrekken, en dat deze compensatie is beperkt tot hetgeen, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, noodzakelijk, passend en redelijk is om het verzuim van de luchtvaartmaatschappij om bijstand te bieden, goed te maken.
4.11 Dit arrest ging echter om een geval waarin een passagier extra kosten moest maken omdat de luchtvaartmaatschappij hem, na de annulering van zijn vlucht, geen alternatieve vlucht naar de bestemming aanbood en de passagier daarom zelf een alternatief moest boeken. Het onderhavige geval is daar niet mee vergelijkbaar omdat de passagiers niet hebben gesteld dat zij door het eventuele verzuim van de vervoerder om bijstand te bieden, enige extra kosten hebben gemaakt. Daarmee hebben zij eveneens onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat het gevorderde bedrag op enige manier noodzakelijk, passend en redelijk zou zijn om het eventuele verzuim van de vervoerder om bijstand te bieden, goed te maken. De vordering van de passagiers zal daarom worden afgewezen.
4.12 De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.
5 De beslissing
De kantonrechter:
5.1 wijst de vordering af;
5.2 veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 506,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 126,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen met de kosten van betekening als de passagiers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3 verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter