Rb. Noord-Holland 12 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:2606
Verzoekster heeft verzocht om een voorlopige voorziening connex aan het bezwaar gericht tegen het onmiddellijk stilleggen van door verzoekster uitgevoerde sloopwerkzaamheden en tegen aan verzoekster opgelegde lasten onder dwangsom. Verweerder heeft daartoe besloten omdat de sloopmelding van verzoekster niet voldoet aan de indieningsvereisten uit artikel 7.11 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het daarbij ingediende asbestinventarisatierapport is volgens verweerder ongeschikt omdat een Polarisatiemicroscopie (PLM)-analyse bij een kleefmonster is gebruikt, terwijl dit onvoldoende is voor het bepalen van de risicoklasse van het aangetroffen asbest. Daarvoor is een Scanning Elektronen Microscopie (SEM)-analyse vereist. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster met de verzochte voorziening wenst te bereiken dat zij verder kan gaan met de sloopwerkzaamheden. Dit is een verstrekkende voorziening, die geen voorlopig karakter heeft. Voor het treffen van een dermate verstrekkende voorziening is daarom alleen aanleiding als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarvan is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Er is geen sprake van schending van het specialiteitsbeginsel. Verweerder is op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.9 van die wet en artikel 2.2 van het Bbl, bevoegd om handhavend op te treden bij overtreding van het Bbl. Verweerder dient bij de beoordeling van het ingediende asbestinventarisatierapport ook de indeling in een risicoklasse te beoordelen. Ook kan het standpunt van verweerder dat een SEM-analyse van kleefmonster wel op grond van de wet- en regelgeving is vereist, gevolgd worden. Artikel 4.54a, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit noemt namelijk expliciet dat een risicoclassificatie in het asbestinventarisatierapport moet worden opgenomen. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het asbestinventarisatierapport ook mag toetsen aan Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering (Certificatieschema). Artikel 22, zesde lid, aanhef en onder m, en het negende lid, van het Certificatieschema vereist ook dat het asbestinventarisatieverzoek een risicoclassificatie bevat. In artikel 21, tweede lid, aanhef en onder b, van het Certificatieschema is opgenomen dat onder bepaalde omstandigheden een SEM-analyse moet worden toegepast, zoals ook volgt uit paragraaf 4.2.2 van de NEN 2991. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat wel sprake is van visueel waarneembare restanten niet-hechtgebonden beschadigd asbestverdacht materiaal binnen in de hal, zoals genoemd in artikel 21, tweede lid, aanhef en onder b, van het Certificatieschema. De stelling van verzoekster dat de regel ‘één kleefmonster is geen kleefmonster’ geldt, volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoekster heeft immers geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze regel uit de NEN 2991 of ergens anders uit volgt. Tot slot is de voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder met bovenstaande voldoende heeft gemotiveerd dat risico’s voor de fysieke leefomgeving ook niet kunnen worden uitgesloten. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 8:81 Awb
- Artikel 4.2 Arbobesluit
- Artikel 4.54a Arbobesluit
- Artikel 4.27 Arbeidsomstandighedenregeling
- Artikel 4.9 Omgevingswet
- Artikel 18.2 Omgevingswet
- Artikel 2.2 Besluit bouwwerken leefomgeving
- Artikel 7.9 Besluit bouwwerken leefomgeving
- Artikel 7.10 Besluit bouwwerken leefomgeving
- Artikel 7.11 Besluit bouwwerken leefomgeving