Rb. Noord-Holland 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15863

Discussie over het bestaan van een erfdienstbaarheid tot parkeren. Een van de dienende erven is verkocht en kan (conform de koopovereenkomst) alleen worden geleverd zonder dat er op dat perceel erfdienstbaarheden rusten. De huidige eigenaar van dit dienende erf meent primair dat de erfdienstbaarheid na een splitsing in appartementsrechten nooit op dit perceel is komen te rusten. Als de rechtbank daar anders over oordeelt, zou het recht inmiddels zijn verjaard. Subsidiair vordert de eigenaar van het dienende erf opheffing van de erfdienstbaarheid omdat de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang meer heeft bij deze erfdienstbaarheid. De rechtbank legt eerst de inhoud van de erfdienstbaarheid tot parkeren uit op basis van de akte van vestiging en de partijbedoeling van destijds. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de erfdienstbaarheid niet door verjaring teniet is gegaan en dat uitoefening van de erfdienstbaarheid nog steeds mogelijk is. De eigenaar van het heersende erf heeft een redelijk belang bij handhaving van de erfdienstbaarheid. De vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid wordt daarom afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken