Rb. Noord-Holland 26 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:11048
VDeze uitspraak gaat om het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening. Het verzoek ziet op de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een Verklaring omtrent gedrag met politiegegevens (VOG-P). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom dat hij tijdens de beroepsprocedure wordt behandeld als ware hij in bezit van een VOG-P. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van deze voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker af. De inhoudelijke gronden tegen de afwijzing vergen in de bodemprocedure nader onderzoek, waar de vovo-procedure zich niet voor leent. De voorzieningenrechter wijst na een belangenafweging het verzoek toe
De uitspraak op rechtspraak.nl