Rb. Noord-Holland 14 mei 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:4686
Geen onderwerp van debat is tussen partijen dat het bouwplan in strijd is met de bestemmingen Wonen en Tuin van het als deel van een omgevingsplan geldende bestemmingsplan Hoofddorp Noord, omdat er buiten het bouwvlak en in strijd met de bouwhoogte wordt gebouwd […] Nu er sprake is van strijd met het vigerend planologisch regime, ligt vervolgens de vraag voor of verweerder in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen de omgevingsvergunning in strijd met vigerend planologisch regime heeft mogen verlenen. […] Voor zover eisers van mening zijn dat de omgevingsvergunning moet worden vernietigd omdat de gebruiksmogelijkheden van de bedrijfspanden binnen het blok ten onrechte worden beperkt, kan deze grief niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste staat daaraan in de weg. Het relativiteitsvereiste houdt kortgezegd in dat een persoon zich niet kan beroepen op normen die niet zijn geschreven ter bescherming van zijn belangen. Indien en voor zover er al sprake zou zijn van een geschonden norm bij de aanpassing van de milieucategorie voor de bedrijfsbebouwing binnen het blok waardoor het bouwplan kan worden gerealiseerd, strekt schending daarvan in deze zaak niet tot bescherming van de rechtspositie van eisers. Het enkele feit dat als gevolg van het bouwplan de eigenaren en gebruikers niet langer een bedrijf behorend tot milieucategorie 3.1 kunnen huisvesten in hun bedrijfsbebouwing binnen het blok, is geen belang waarvoor eisers kunnen opkomen. Zij worden door deze (planologische) beperking van de gebruiksmogelijkheden van de bedrijfsbebouwing binnen het blok op geen enkele wijze in hun belangen geschaad. Eisers zijn immers helemaal geen eigenaar van genoemde bedrijfsbebouwing en door deze beperking worden zij dan ook op geen enkele wijze benadeeld. Gelet op de beroepsgronden zijn eisers van mening dat ook aan hun bedrijfsunit (en naar de rechtbank heeft begrepen het hele bedrijfsverzamelgebouw en ook in de bedrijfsbebouwing in de directe omgeving) milieucategorie 2 moet worden toegekend zodat een omgevingsvergunning voor het hebben van een woning in hun bedrijfsunit kan worden verleend. Door dat niet te doen, heeft verweerder gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Eisers kunnen deze stelling evenwel naar voren brengen in de nog lopende procedures die betrekking hebben op de weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor wonen in de bedrijfsunit en het daartegen handhavend optreden. Voor zover er al sprake zou zijn van een geschonden norm, strekt deze niet tot bescherming van een belang dat eisers in deze procedure hebben. Anders gezegd: het niet mogen realiseren van een woning in hun bedrijfsunit betreft - anders dan eisers ter zitting hebben betoogd - geen materieel belang dat een rol kan spelen bij de vraag of de omgevingsvergunning voor het onderhavige bouwplan kan worden verleend. Een andere benadering zou betekenen dat eisers beroepsgronden zouden kunnen aanvoeren tegen een besluit waarvan zij geen enkel nadelig gevolg ondervinden terwijl de nadelige gevolgen juist worden veroorzaakt door een of meer andere besluiten die nog in procedure zijn. Ook in zoverre stuit het betoog van eisers af het relativiteitsvereiste.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6:5 Awb
- Artikel 6:6 Awb
- Artikel 6:8 Awb
- Artikel 8:69a Awb
- Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening
- Artikel 3.9 Wabo
- Artikel 2.4 Omgevingswet
- Artikel 4.14 Omgevingswet
- Artikel 4.1 Invoeringswet Omgevingswet
- Artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
- Artikel 4.6 Invoeringswet Omgevingswet
- Artikel 4.103 Invoeringswet Omgevingswet