Rb. Noord-Holland 29 maart 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3148

Eiseres heeft verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en Wet open overheid (Woo) ingediend bij de minister van Algemene zaken, de minister van Financiën, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Infrastructuur en Waterstaat naar aanleiding van de corona-steunmaatregelen die aan KLM zijn verstrekt en de afspraken die daarbij zijn gemaakt over de arbeidsvoorwaarden bij KLM. Eiseres heeft vervolgens beroepen ingediend tegen de daarop door de verschillende ministeries (ook verweerders genoemd) genomen besluiten. De beroepsgronden dat verweerders alle onder het Wob-verzoek vallende documenten die onder hen berusten hadden moeten beoordelen en niet alleen dergelijke stukken die van de betreffende verweerder zelf afkomstig zijn, slaagt niet. In een situatie zoals deze waarbij dezelfde verzoeken bij verschillende ministeries zijn ingediend, is een praktische aanpak in de vorm van afstemming tussen de verschillende ministeries in beginsel aanvaardbaar. Het is vanuit een oogpunt van efficiënte besluitvorming begrijpelijk dat bij een zo’n omvangrijk verzoek als dit wordt gekozen voor een aanpak waarbij elk ministerie alleen die documenten beoordeelt die van dat ministerie afkomstig zijn en niet alle documenten die onder het verzoek vallen en die bij het ministerie berusten. Wel moet dit voor eiseres inzichtelijk zijn. Verweerders hadden daarom in dit geval voor eiseres ook concreet moeten maken over welke documenten die wel onder hen berusten geen beoordeling is gemaakt, en van welk ministerie dat wel kon worden verwacht. Verweerders hebben met uitzondering van de minister van Infrastructuur en Waterstaat in zaak HAA 22/3871 (het bestreden besluit II), hiertoe geen inventarislijst aan eiseres verstrekt of op andere wijze hierover helderheid verschaft. Deze beroepsgronden slaagt daarom. Daarnaast is in verschillende besluiten niet kenbaar gemaakt op welke wijze naar aanleiding van de Wob-verzoeken is gezocht en welke zoektermen zijn gebruikt, zodat deze besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd. In de verweerschriften hebben verweerders dit alsnog toegelicht maar de rechtbank is van oordeel dat de gehanteerde zoekslag, gelet op de omvang van de Wob-verzoeken, te beperkt is. De rechtbank ziet daarom in de verweerschriften geen aanleiding om het eerder geconstateerde gebrek te passeren. Daarnaast is de rechtbank in sommige beroepen ook van oordeel dat eiseres terecht de toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, Wob en artikel 11 Wob heeft betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beroepen gegrond zijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken