Rb. Noord-Holland 3 december 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:14224
Belastingplichtige is een financieringslichaam binnen een groep gelieerde entiteiten en heeft een lening gesloten bij een gelieerde entiteit. Het geleende bedrag is via tussenliggende groepsvennootschappen doorgeleend aan een werkmaatschappij. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen rente onzakelijk is. De vordering is na een herstructurering omgezet in aandelenkapitaal. Na de herstructurering verkoopt eiseres haar (indirect) belang in de werkmaatschappij en in 2018 emigreert eiseres. De vraag ligt voor of eiseres een afwaarderingsverlies in aanmerking mag nemen op de vordering op de werkmaatschappij en of sprake is van een balansfout in verband met de activering van de vordering die hersteld kan worden met de foutenleer. Eiseres stelt primair dat op het moment van het besluit tot emigratie in 2017 het afwaarderingsverlies genomen kan worden en subsidiair in boekjaar 2018 bij toepassing van artikel 15c van de Wet Vpb. De rechtbank komt tot het oordeel dat de activering van de ten dele onzakelijke betalingsverplichting niet hersteld kan worden met de foutenleer. Tevens is de rechtbank van oordeel dat eiseres bij emigratie terecht een afwaarderingsverlies van de vordering in aanmerking heeft genomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl