Rb. Noord-Holland 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:10410

Eiser woont in Heemstede. Vlakbij bouwt de derde-partij een nieuwe supermarkt met ondergrondse parkeergarage. Verweerder heeft in een besluit van 10 maart 2022 aan de derde-partij toestemming verleend om af te wijken van een voorschrift voor de ventilatie-voorziening ter beperking van luchtverontreiniging door benzeen vanuit de parkeergarage, die de derde-partij in Heemstede bouwt. De derde-partij wil in plaats daarvan een andere maatregel treffen die een gelijkwaardig niveau van bescherming moet geven. Het voorschrift waar de derde-partij van wil afwijken, staat in deze zaak nog steeds toepasselijke artikel 3.26e, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) en artikel 3.27l, eerste lid onder b, Activiteitenregeling milieubeheer (de Activiteitenregeling). Eiser komt op tegen de verlening van de toestemming. De rechtbank overweegt dat in artikel 1.8 Activiteitenbesluit is bepaald dat met de alternatieve maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu moet worden bereikt. De wet en de wetsgeschiedenis geven niet aan wat een “gelijkwaardig niveau van bescherming van het milieu” is. Ook heeft de rechtbank geen jurisprudentie gevonden waarin deze term wordt uitgelegd. Uit de woorden “ tenminste” en “gelijkwaardig” volgt, taalkundig gezien, dat door de alternatieve maatregel sprake moet zijn van dezelfde mate van bescherming van het milieu of een verbetering van het milieu. Een maatregel die tot een slechtere uitkomst voor het milieu leidt, is gelet op de duidelijke bepaling niet toegestaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder (en de derde-partij) niet aannemelijk hebben gemaakt dat met de door de derde-partij gewenste oplossing sprake is van een gelijkwaardig niveau van bescherming. Uit de ter onderbouwing daarvan overgelegde rapportage volgt dat bij woningen binnen een straal van 25 meter rond de afvoerschacht tot 1% van de grenswaarde meer benzeen meer neerdaalt dan bij toepassing van de hoogte als voorgeschreven in 3.27l, eerste lid, onder b, Activiteitenregeling. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Daarnaast neemt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Awb zelf een beslissing en bepaalt dat ook het besluit van 10 maart 2022 wordt herroepen. Vast staat immers dat de door de derde-partij gewenste alternatieve maatregel niet kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel, zodat daarvoor geen instemming (meer) kan worden verleend. Indien de derde-partij de parkeergarage en een ventilatievoorziening wil en moet behouden, zal hij dus een andere maatregel moeten bedenken en daarvoor onder de Omgevingswet de daarvoor (eventueel) noodzakelijke vergunning of toestemming van het bevoegde gezag moeten zien te verkrijgen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen